zondag 8 maart 2020

Wel kinderen, geen man!





Traag blader ik in het fotoalbum van mijn zoon. Kijk naar beelden van lang geleden. Het was een tijd waarin ik stappen nam die mijn leven en toekomst voorgoed veranderden. Op de foto’s ben ik aan het kamperen met de vrouwen van de BOM-groep: een ontmoetingsgroep voor vrouwen die Bewust Ongehuwd Moeder wilden worden.
Het fenomeen was in 1977 met een kleine advertentie in het Het Parool begonnen. Cécile Jansen roept daarin vrouwen op, die net als zij ‘vanuit een bewuste keuze ongehuwd zwanger zijn of dat overwegen’ om contact met haar op te nemen. Het begrip bomvrouw is geboren. 

Het verlangen van vrouwen om, onafhankelijk van mannen, kinderen te krijgen en op te voeden, heeft een naam gekregen en eenmaal over de lippen raast het als miltvuur door het land. Amper twee jaar later poseert Cécile, hoogzwanger van haar eerste kind, op de omslag van het boekje: Bewust Ongehuwd Moeder en worden er in de vrouwenhuizen open dagen rondom dit thema georganiseerd.

Ik kan me nog herinneren dat het op een zaterdag was ergens in de zomer van 1980. Mijn besluit om ongehuwd moeder te worden stond al vast en ik had me voor zo’n open dag in het Utrechtse vrouwenhuis opgegeven. De complete wanorde waarin de middag verliep is achteraf de belangrijkste indruk die bij mij is blijven hangen. Ik organiseerde zelf gezondheidsgroepen in een wijk en nam zitting in verschillende ondersteuningsgroepen. Ik zat zelfs in een groepje met vrouwen waarin we brainstormden over feministische hulpverlening en de autobiografie als uitgangspunt erkenden. Maar de propagandisten van het bewust ongehuwde moederschap sloegen alles waar het zorg, je verantwoordelijk voelen voor een ander of een beetje empathie betrof. De opstandigheid der vrouwen had zich in hen ver doorgezet, alsof ik bij een Dadaïstische beweging terecht was gekomen. Niemand die je verwelkomde. Je een kopje koffie aanbood. Je aan een ander voorstelde of je naar een plaats begeleidde. Integendeel het leek erop dat niemand jou verwachtte. Alsof er geen brieven met uitnodigingen waren verstuurd. 

Het duurde lang voordat de aanwezige vrouwen, verdeeld over twee groepen, in kringen bijeen zaten. Onwennig zat ik op het puntje van mijn stoel en keek rond naar de vragende, maar vooral onbekende vrouwengezichten. Een kleine vrouw die zich als Brechtje voorstelde ontpopte zich als een soort voorgangster. Geen spoor van een BH onder de lange beige en mouwloze hippie jurk. Grote plukken haar staken links en rechts uit haar oksels. Mijn afstand tot haar was te ver. Ik kon niet ruiken of ze die morgen deodorant had gebruikt. Vermoedelijk niet want ook deodorant was een taboe. Was door het feminisme herleid tot een politiek issue, waarin de onderdrukking van vrouwen door mannen - in de industrie die ze hadden ontworpen - zich manifesteerde. Vrouwen wensten zich voor eens en altijd te ontdoen van het beeld dat de man van hen had geschapen en keerden terug naar een vormloos begin.

Brechtje overhandigde een lijst met namen van vrouwen die deel uit zouden maken van onze groep en vertelde dat, nu ze ons bij elkaar had gebracht, we het verder zelf maar uit moesten zoeken. Dat had zij ook moeten doen en ze wenste er verder geen energie in te steken. Zij ging weer verder met haar eigen proces. 

Sommige vrouwen op de lijst zijn altijd een naam gebleven. Anderen kwamen nog één keer: Lidy bijvoorbeeld vertelde op de eerstvolgende bijeenkomst dat ze, inmiddels 'dolverliefd' het met haar nieuwe vriend ging proberen. De procedure voor kunstmatige inseminatie donor (KID) die ze in gang had gezet werd voorlopig stopgezet. Al snel verwachtte ze haar eerste kind. Tenslotte bleven er zes vrouwen over. We kwamen wekelijks bij elkaar en praatten over de omstandigheden die nodig waren om een ongehuwde moeder te kunnen zijn. We dachten na over de problemen die we konden verwachten zoals betaalde arbeid, kinderopvang, huisvesting en zochten naar oplossingen.

Op een van de foto’s poseer ik met Mia, Alma, Vonne, Till en Christa met haar dochtertje Liza voor een bungalowtent. De camping lag op Schouwen-Duiveland. Zo verrast als ik was over dit Zeeuwse eiland: aan Zeeland denkend, zag ik in gedachten altijd donkere luchten, grauw opspattende golven, tolbruggen en vlak land waar men aardappels verbouwde. Nooit dacht ik aan blonde duinen of donkergroene naaldbossen.

Wel kinderen, geen man! Uiteindelijk heb ik alleen, uit onze groep, die keuze gemaakt. Christa bleek een traditioneel ongehuwde moeder te zijn die, na een avondje uit met veel drank, in het bed van een vriendje terecht was gekomen en zo in gezegende omstandigheden geraakt. Ze had daarna wel voor de zwangerschap en het kind gekozen en vond zichzelf een bewust ongehuwde moeder.

Alma, Vonne en Till wilden wel een kind, maar durfden niet voor kunstmatige inseminatie met sperma van een anonieme donor te kiezen. Oeverloze gesprekken voerden we over of dat nu wel of niet verantwoord was. Wat zouden ze straks tegen het kind moeten zeggen als het naar de vader vroeg? En wat wist je nu helemaal van zo’n man. Misschien was hij wel oerlelijk of leed hij aan een erfelijke ziekte. Het zou een crimineel kunnen zijn, een engerd en wat voor een kind kon je dan verwachten? Nee het mocht geen anonieme donor zijn, maar waar vond je de man die wel zijn zaad wilde doneren en verder niets? In hun vriendenkring kenden ze mannen waar ze wel een kind van wilden, maar die relaties waren nu net zo, dat die mannen niet iets speciaals met hen voor hadden. Een vrijage en dan stiekem de anticonceptie vergeten om van al het gedonder af te zijn ging deze meiden ook te ver, nee het moest een bekende donor zijn, een die achter de idee stond.
Goed beschouwd zochten ze naar een donor, waar ze afspraken mee konden maken. Een man die de verantwoordelijkheid wilde nemen door tegen hen te zeggen: ‘hier heb je een kind.’ Een man ook, die mee wilde zorgen door af en toe een weekend op te passen. Zo’n man waarmee je net zo goed zou kunnen trouwen. Ze waren naar de BOM-groep gekomen met vage verlangens naar een kind, maar stuitten op het persoonlijke verdriet dat ze geen goede relatie tot stand wisten te brengen: het gemis van een vaste vriend, de toekomstige vader van hun kinderen. Ik weet niet hoe het Alma en Vonne verder is vergaan. De BOM-groep was geen lang leven beschoren. Till - heb ik gehoord - heeft niet veel later in een depressieve bui zichzelf het leven ontnomen.
Mia, een moederlijk type en een letterlijk zwaargewicht, heeft wel pogingen ondernomen om via KID zwanger te worden, maar dat mislukte. Later heeft ze op een vakantie in Marokko een man ontmoet, die graag naar Nederland wilde komen. Het is mij niet bekend hoe lang het huwelijk stand heeft gehouden en of er kinderen uit zijn voortgekomen. Vreemd genoeg is Lidy de enige die ik nog regelmatig zie. Ze kreeg twee kinderen en trouwde uiteindelijk ook met de vader van haar kinderen. 

Als we samen kamperen ben ik al vijf maanden zwanger. De donor is anoniem. Op een van de foto’s draag ik alleen een bikinibroekje. Trots toon ik mijn bolle buik en twee welpen van borsten. Zo groot en stevig als toen zijn ze nooit meer geweest. Weg zijn de erwten op een plankje, waar mijn broers me mee plaagden. Verdwenen zijn ook de scherpe lijnen in mijn jongensachtige gezicht. Na een moeilijke puberteit en opstandige jongelingsjaren is het de zwangerschap gelukt om van mij een vrouw te maken.

De camping, zeer uitgestrekt met in verhouding weinig sanitaire voorzieningen, was niet echt comfortabel voor een zwangere vrouw die vaak moet plassen. De dichtstbijzijnde WC lag op tien minuten lopen. Even ver als het strand - op weer een andere foto - waarop ik ben afgebeeld met achter me een strakblauwe hemel. Mijn voeten zoeken verkoeling in de uitlopers van de branding. Ik maakte een wandeling met het dochtertje van Christa, dat achter me aan keutelde en naar schelpjes zocht. Eenmaal een schelpje in haar hand spoelde ze het zorgvuldig schoon in een plasje water waarna ze het bij haar verzameling in het emmertje deed.

Ik stond telkens even stil om op haar te wachten en zag hoe - vlak achter me - mijn voetstappen zich vulden met water. Steeds heel even maar duldde de zee mijn aanwezigheid op het strand. Momenten waarin: zon, zand, zout, warmte, wind en water samenbalden met het naamloos dolfijntje dat rondzwom in mijn buik.



maandag 22 juni 2015

Oeps!



Een moment hang ik los van mijn fiets in de lucht. Vertraagd dringen de beelden mijn bewustzijn binnen. Het verbrede trottoir dat zich in de bocht van de Oudenoord voor de ingang van de Gamma bevindt. De bevroren sneeuw met grijze gaten, blootgelegd door de beginnende dooi. Menselijke gestalten die omzichtig voortbewegen.
In mijn val probeer ik mij zijdelings in de richting van de stoeprand, een meter verder naar de kant, toe te bewegen. Weg van de stadsbus die vlak achter mij rijdt.
Ik vind mezelf terug bovenop een van de fietstassen waarmee ik het achterwiel standaard bekleed. Gelukkig, de fiets is bij het onderuitgaan naar rechts gevallen. Samen liggen we in de smurrie, die sneeuw, strooizout en het verkeer op winterse wegen achterlaat. Dooiwater stroomt voor me langs in de goot. Sijpelt weg in een putje onder de stoep.
De chauffeur heeft mij niet gezien. De bus remt niet af. Ik trek mijn benen op, maak me klein, wacht op het wiel dat groot en grijs op mij af komt stormen. Hoog torent het boven mij uit. Spettert rond met smurrie als het rakelings langs het achterwiel van mijn fiets snelt. Op het moment dat het tot me doordringt dat ik nog leef, dat ik niet vermorzeld ben, besef ik dat er nog een wiel moet komen.

Ik weet niet hoe lang de afstand is tussen het voor- en achterwiel van een bus? Ik weet dat de tijd zich onmetelijk lang uitrekte. Mij daar een leven lang laat zitten in angst en vreze.

Ook het achterwiel verplettert mij niet. Het rijdt net als zijn voorganger rakelings langszij. En terwijl de bus uit zicht verdwijnt, krabbel ik met knikkende knieën overeind. Niemand helpt. Niemand heeft het gezien. De mensen bewegen voorzichtig, bang om te vallen, de ogen gericht op de weg onder hun voeten, vooruit!



vrijdag 29 mei 2015

Annie






'Annie' was de titel, die ik in mijn hoofd had voor de eerste uitdaging van de maand op ColumnX over mijn lagere school. Ik had haar graag weer eens ontmoet ook al was het slechts fictief op een reünie. Annie liep niet alleen samen met mij alle lagere schoolklassen door, maar ze was ook het vriendinnetje waar ik na school mee ging spelen. Ik meestal bij haar waar haar stiefmoeder, voorover gebogen achter de trapmachine kinderkleding naaide. Veel meer dan een bos zwart haar, dat eindigde in een dikke wrong in haar nek, herinner ik me niet van deze vrouw. Annie en ik zwierven samen door de polders, over de jaarlijkse kermis en - zo zie ik op oude foto's van weleer - bezochten we kennelijk ook twee jaar lang samen de dansschool van Evert Castelein in Leiden. Annie en ik zijn beiden in het zelfde jaar, in september met een verschil van vijf dagen geboren. Ik leerde haar kennen nadat mijn ouders in 1947 naar de andere kant van het dorp verhuisden. We waren zes jaar oud. Annie woonde een paar huizen verder op een kleine boerderij. Een verlegen meisje met stakerige witte benen. De schouders hoog opgetrokken. Lichte lieve ogen boven wangen met sproeten. Kort geknipt blond, bijna rossig haar dat strak naar achteren getrokken boven op haar hoofd in een kwik met strik was samengebonden.

Twee herinneringen zijn me altijd bij gebleven. De eerste dateert van een dag na de kermis. We liepen samen uit school naar huis, toen plots ons beider oog viel op een briefje van 2.50 gulden. Het lag tegen de de onderkant van een hek. We bukten tegelijkertijd en stonden even later tegenover elkaar met ieder een hoek van het biljet strakgetrokken tussen onze vingers.

Van wie was dit biljet? Wie had het, het eerste gezien? Wie was de nieuwe eigenaar? We kwamen er niet uit. Uiteindelijk heb ik mijn hoek eraf gescheurd en gezegd dat ze het mocht hebben. Dat het nu toch beschadigd was en niets meer waard.

Hoe ze zich afwendde. Met schokkende schouders zonder het geluid van huilen. Hoe haar handen de rest van het biljet in heel kleine snippertjes scheurden. Dat beeld heb ik nog steeds voor ogen.

Jaren later ontmoette ik haar nog één keer op de jaarlijkse kermis. Ze was heel jong getrouwd en heel vreselijk, een jong kind verloren. Het was een drukke weg, vlak voor haar huis opgerend en voor haar ogen onder een auto gekomen. Ik was vol mededogen en wilde met haar praten. Had ik immers ook niet heel vreselijk een jongere broer bij een auto-ongeluk verloren en mijn nichtje waar ik als kind mee speelde. Twaalf jaar waren we toen een dronken automobilist haar met zijn auto schepte.

Annie ik zie nog de blijdschap op haar gezicht bij de herkenning. De verandering. Het stille verdriet waarin ze zich terug trok op het moment dat ik de dood van haar kind benoemde. Met hoog opgetrokken schouders wendde ze zich van mij af. Ik heb haar daarna nooit meer gezien. Van een oudere zus hoorde ik later dat ze een nare jeugd achter de rug hadden. Dat de vrouw met het zwarte haar een boze stiefmoeder was geweest.

Annie, ik liep dagelijks met haar naar school. Speelde met haar. Ik zie haar zo weer voor me en besef tegelijkertijd dat ik haar amper kende.


                          

donderdag 26 maart 2015

Afscheid van broer Piet


Lieve Piet,

De laatste dagen was ik druk met het opzoeken van foto’s en oude dia’s, waarop beelden van jou te zien waren. Broer Frans maakte daar een beeldverhaal van met jouw leven in de hoofdrol.
Verschrikkelijk veel foto’s van verjaardagen, reünies en andere festiviteiten. Heel veel gezichten gleden op het scherm aan mijn oog voorbij, maar het vereiste flink wat speurwerk om dat van jou daar tussen te vinden.
Gaande weg realiseerde ik me dat jij het op de een of andere manier klaar wist te spelen om ergens te zijn, maar tegelijkertijd niet gezien te worden. Een beetje zoals de situatie hier:
Je bent er wel. Maar toch ook weer niet.
Ik moet echt heel goed mijn best doen om te vertellen: Wie was mijn oudste broer Piet? 

De oudste dus! Het eerstgeboren kind van Vader en Moeder en daarmee kreeg je al jong veel verantwoordelijkheid op je schouders, want na jou werden nog negen kinderen geboren waarvan jij altijd de wijste en de grootste moest zijn. Eigenlijk waren jij en mijn zus Lenie meer assistent ouders van Vader en Moeder in plaats van kinderen waar ze voor moesten zorgen.
De ambachtsschool kon er nog net af, maar daarna moest je mee helpen om geld binnen te brengen, om dat grote gezin overeind te houden.
Natuurlijk hebben we ook veel gelachen. Bijvoorbeeld toen we als gezin een geluidsband vol moesten praten voor onze broer André. Ver over zee. Moeder zenuwachtig bij de recorder. Knopje aan. Knopje uit. Iedereen stil en dan moest jij als oudste met je verhaaltje beginnen. Je eindigde met:
‘Dit was je broer Piet,’
En ja hoor Anton kon het niet laten:


‘Knaak als je hem er af schiet.’ Riep hij er vlug achteraan. Moeder liet het er niet bij zitten en alles moest weer opnieuw. Terugspoelen. Knopje uit. Knopje aan. Daar waren we dan een hele zondagmiddag druk mee.
Zo heb ik meer herinneringen b.v. aan je opvoedende kwaliteiten. Een knie onder mijn stuitje omdat ik ruzie maakte met Jan en Anton over het verlies van knikkers. Ach ja het hoorde er allemaal bij.

Hoe je op een zaterdagmiddag met een plunjezak op je schouder als soldaat het huis binnenstapte. Baret schuin op je hoofd. Indrukwekkend vond ik dat.
Je liefde voor dieren, voor honden, voor Polly. Jouw hond, die je af moest staan omdat het veel te druk was: tien kinderen en een hond.
Geen traan. Geen krimp. Gehoorzaam droeg je de hond over aan Opa en Oma.



Misschien ben ik dan nu toch bij jouw handelsmerk aangekomen.
Flink zijn! Geen emoties! Niemand je pijn, je verdriet laten zien. Altijd een grote jongen zijn!

Lieve Piet,
Ik heb de laatste jaren af en toe voor je mogen zorgen. Je zwak worden van dichtbij meegemaakt. Gezien hoe de kwetsbaarheid, die samen gaat met het eindigende leven, steeds meer bezit van je nam.
Af en toe hebben we samen, armen om elkaar, op de bank zitten huilen. Mocht ik even je tranen zien. Maar meer toch was je de stoere vent, die voor het bezoek zijn bed uit kwam. Met rechte rug op de bank.

Je wilde je gewoon niet laten kisten.
En nu lig je dan eindelijk hier. Tussen ons in.

Ik denk terug aan mijn laatste bezoek. Hoe ik je achter liet.

Alleen. Doorschijnend als het licht dat door het raam de kamer binnen viel.

Aan je woorden, die je bijna vragend tegen mij sprak:

‘Vergeet me maar niet!’









naschrift: dit zijn mijn afscheidswoorden aan mijn broer Piet. Uitgesproken tijdens de avondwake en begrafenisdienst. 

maandag 2 maart 2015

Ik worstel en ga onder






Zijn laatste dagen zijn geteld. De prostaatkanker heeft mijn oudste broer uiteindelijk toch te grazen genomen. Een chemokuur heeft niet meer mogen baten. Behalve dan dat het zijn laatste levensjaar flink heeft verziekt. De radiumkuur die de pijn in zijn botten moet verzachten, is stop gezet. Zijn bloedwaarden liggen helemaal overhoop en de laatste bloedtransfusie heeft geen merkbaar effect. En dan zo helemaal op het einde wordt die verdomde prostaat toch nog weg geschraapt. Een volle blaas en niet kunnen plassen. Een katheter. Bloedingen. Heen en weer vliegen tussen huis en ziekenhuis heeft tot dat besluit geleid. Hij heeft het overleeft, mijn broer. Maar voor hoe lang?
'Hier hoeft u niet meer terug te komen,' hebben ze tegen hem gezegd.
'En wat nu?' Antwoordde mijn broer.
De huisarts neemt de zorg over. Die zal op de hoogte worden gebracht. Met een buikkatheter is hij thuis gekomen.
Geen hoop meer! Mijn broer kan het niet geloven. Hij wil niet dood. Hij wil leven!
Wie kan zijn eigen dood begrijpen? Mijn broer zeker niet. Wij verdenken hem er toch al van dat hij op tweejarige leeftijd in zijn nee fase is blijven hangen. Alles wat niet in het straatje past wordt weggeveegd.

Tien dagen en nachten ben ik bij hem geweest. Zijn dochter die de klus vooral moet klaren, hebben we (met dikke kringen onder haar ogen) samen met manlief en vier puberkinderen eerst nog even op wintersport gestuurd.
Met behulp van de jongste dochter heb ik voor hem gezorgd. Geprobeerd er wat eten in te krijgen. Insuline spuiten. Bloedsuikerprikken. Medicijnen laten slikken. Urinezakken verwisselen.
Op de gevoelige plaat heb ik het allemaal vastgelegd; wankelend en schuifelend naar het toilet. Hijgend en steunend met iemand achter hem de trap op naar boven voor een douchebeurt. Nakend en vervallen op een douchestoel onder de waterstraal. Bibberend op de rand van het bed. Wachtend op insmeren met de anti-doorlig crème. Op schone kleren. Zijn natte haartjes recht overeind.
En later weer beneden zijn portret, liggend in bed alsof hij al is overleden. Zijn ogen gesloten. De mond half open met een valse grijns van het kunstgebit.

Komt er bezoek dan wil hij uit bed. Branieachtig loopt hij van het bed naar de bank. Nee magere Hein krijgt hem niet te pakken. Mij vraagt hij wat ik daar eigenlijk bij hem in huis komt doen? Hij heeft mijn hulp niet nodig: 'Ga maar naar je zus. Als ik moe ben ga ik zelf wel naar bed.' En het eten moet ik zelf maar nuttigen: niet te vreten! Stoer brengt hij de vuile kopjes naar de keuken en zet het hele huis in donker als ik 's avonds laat mijn hond uitlaat.
's Nachts zoekt hij verward de WC. Denkt - met een urinezak in zijn handen - dat hij moet plassen. Moet poepen en krijgt de boel niet meer schoon.

Mijn broer! Vanmorgen heb ik hem in bed gewassen. Hij is zo moe. Alsof hij 200 jaar oud is. 'Hoe ken dat nou?'
Ik weet dat hij het antwoord uit mijn mond niet wil horen. Omhels hem. Aai hem over zijn hoofd, waar de chemo zijn haar weer heeft laten groeien.

Zijn dochter is uitgerust en ontspannen thuisgekomen. Ook ik ben naar mijn huis teruggekeerd. 'Bedank voor je bezoek,' heeft hij bij het afscheid tegen me gezegd.
Ik heb niets terug gezegd. Mijn gedachten voor me gehouden. En nu ik dit allemaal opschrijf, kan ik eindelijk huilen. 




Naschrift
Mijn broer is in de vroege morgen van 19 maart overleden en op 25 maart ter aarde besteld.

donderdag 5 juni 2014

vrijdag 18 april 2014

Oud worden willen we allemaal



‘Oud worden willen we allemaal, maar niemand wil het zijn,’ is een gevleugelde uitspraak, die ik tijdens mijn leven vaak hoorde. Nu was ik het wel eens met dat niet oud willen zijn, maar ook het oud worden vond ik een hele onderneming. 

Er is een tijd geweest dat het leven als een grauwe en eindeloze loper voor me uitrolde. Alleen het beeld al vermoeide mij dodelijk en ik verlangde steeds dat ik mocht gaan zitten. Dat het niet meer hoefde: iedere dag wakker worden, eten, nadenken over je toekomst , zorgen dat je aantrekkelijke genoeg was om uitverkoren te zijn voor iets of iemand. Werk, een man etc. etc.
Een eindeloze concurrentieslag met de mensen om mij heen, die ook net als ik zelf, op een dag ergens in een bed neer waren gedaald. Om aan het einde van de race roemloos, reeds lang vergeten in een hoekje van een bejaardenhuis onder te gaan.

Ja het klinkt somber als ik dit nu zo weer lees. Maar op een dag kwam de kentering in het besef dat ik moest kiezen: of ik ging het leven aan in al zijn facetten, of ik stopte ermee. 
Ik koos voor het avontuur van het leven. De dood zo realiseerde  ik me was een onwerkelijke keuze, immers het stond bij mijn geboorte al vast, dat hij/zij/het  eens op de stoep zou komen staan en mij de adem benemen. Ik hoefde me daar helemaal geen zorgen over te maken.

Ik ging voluit voor het leven baarde twee flinke jongens , die ik inmiddels voor de tweede keer heb losgelaten. Genoot van hun levenskracht, hun tomeloze energie.
Bijna al een flink stuk op weg naar het ouder worden, had de dood me bijna bij mijn kladden. Ik heb hem tijdelijk afgekocht en hem als onderpand mijn rechter borst gegeven.

Zwoegend en zwetend ben ik ongemerkt ouder geworden en ik moet zeggen, vooral als je de 65 passeert; oud zijn is een bevrijding. 
Weg is de druk van die betaalde vaak onmogelijke baan. De race tegen de klok. De noodzaak om een man te behagen als middel om de armoede te bestrijden. 

Oud zijn is vrij zijn. Klaar zijn met alles wat je bindt om er maar bij te mogen horen.

Er is maar één nadeel aan oud zijn. Helaas het duurt maar even. Dus sla ik iedere dag mijn armen – met hangend vel – wijd uit en omarm het leven in al zijn schoonheid. Geniet met volle teugen van mijn herwonnen vrijheid uit mijn kindertijd.





maandag 17 februari 2014

Handen groeien boven het graf: Ouderenmishandeling

     

'Aart, ik heb zo'n pijn op mijn borst, maar ik durf geen zuster te bellen; zulke spinnenkoppen als het zijn. Altijd druk met het weven van hun eigen web hebben ze geen tijd om een oud mens op de wc te helpen en mij een luier omge­daan. Een luier! Aart, ik die met mijn handen zoveel luiers heb staan wringen, lig nu zelf met een pieslap om.'



Een verhaal over het sterven van mijn oude moeder. Slechts een paar jaar maar leeft ze in het verzorgingshuis, waar ze op advies van haar huisarts naar toe is verhuisd: ‘Immers ze is nu nog gezond, redt zichzelf met een halve dag huishoudelijke hulp in de week. Maar als ze dat straks niet meer kan, hoeft ze er niet op te rekenen dat ze haar daar dan nog toelaten.’
Twee jaar later is ze een wrak. Stoned van de valium zit ze in haar stoel met een gebroken arm die, na een val, niet meer geheeld is. Wezenloos staart ze voor zich uit. Angstig soms,  bang voor de nacht en de verzorgster die expres aan haar gebroken arm trekt omdat ze gebeld heeft. Omdat ze moet plassen. Veel moet plassen omdat ze plaspillen te slikken krijgt. Tot drie keer toe constateren we dat er geld uit haar portemonnee verdwijnt.

In Nederland wordt één op de twintig ouderen mishandeld. Deze cijfers dateren uit de tijd dat mijn moeder in 1994 op 85tigjarige leeftijd overlijdt. Onderzoekers gaan er dus vanuit dat dit getal nu anno 2014 hoger ligt.
Ouderenmishandeling kent vele vormen: verwaarlozing, financiële uitbuiting, fysieke, geestelijke en zelfs seksuele mishandeling. Zembla besteedde afgelopen donderdag 16 januari aandacht aan dit fenomeen. Behalve dat het programma schokkende YouTubefilmpjes toonde, vroeg een interviewer aan de bekende verpleeghuisarts Bert Keizer waar we de oorsprong van dit fenomeen moeten zoeken?

Het antwoord van de verpleeghuisgoeroe schokte mij meer nog dan de filmpjes. Alsof we hier met zijn allen in een wilde dierentuin leven zonder hekken. Bert nl. zoekt de oorsprong van de verwaarlozing in ons dierlijke gedrag, dat niet toegerust is om voor oudere dieren te zorgen. Het zit niet in onze biologie; niet in ons DNA. Als we onze taak – het voortbrengen van nageslacht – hebben volbracht zijn we biologisch gezien niet meer interessant en treedt er onverschilligheid op.

Hoppa! Trap die oudjes maar in een hoek waar ze niet meer zelfstandig uit kunnen komen. Pik hun pensioenen maar in waar ze voor werkten toen de testosteron en oestrogenen nog door hun lichaam gierden! Nu zijn wij aan de beurt! Alsof er niet zoiets als een beschaving bestaat. Beschaving die gemeten wordt  aan de wijze waarop we voor onze ouderen en zwakkeren zorgen! Alsof er nooit samenlevingen zijn geweest waarin de stamoudsten gerespecteerd werden vanwege hun levenservaring en hun wijsheid.

Je reinste Barbarisme. Gelukkig is Bert Keizer kritischer naar de staatssecretaris van VWS; Martin van Rijn, die  verantwoordelijk is voor het beleid waaronder deze mensonterende toestanden plaatsvinden. Hoewel Van Rijn  ouderenmishandeling  signaleert en ons verblijdt met een treurig campagnespotje, is hij van plan om tegelijkertijd miljarden te bezuinigen op de ouderenzorg door 800 van de 2200 verzorgingshuizen te sluiten, waardoor duizenden verzorgenden hun baan t.z.t. zullen verliezen. Ouderen worden aan de  zorg van hun familie toevertrouwd en dan durft deze Staatsman met droge ogen te beweren dat deze maatregelen  de kwaliteit van zorg voor ouderen ten goede zal komen. ‘Hij liegt: stelt Bert Keizer vast.

Uitgebaard en inmiddels de zeventig gepasseerd ben ik druk aan het sparen. Neen niet voor meer pensioen. Ik spaar pillen, antibraakmiddelen en sla de nodige flessen whisky in, om zodra de eerste verschijnselen van enig functieverlies zich voordoen de weg van Moek te gaan.



Het gaat jullie goed!   

zaterdag 1 februari 2014

Mon Cherie

Cherie 2014                                                                                                                                                  aquarel  30x40 cm 


Eind september 1998 stapte ze in mijn leven. Neen eigenlijk al eerder. Het was op de dag dat ik haar zag liggen drinken bij haar moeder Tessa, samen met zus Okkie en ze vanwege het licht dat door het weggetrokken gordijn plotseling op haar viel, naar mij blies. Dat kleine blazende bolletje poes daar viel ik voor. Ik heb nu eenmaal een zwak voor alles wat pittig is! Wat mij uitdaagt! 
Daarnaast was ik er van overtuigd dat ze van het mannelijk geslacht was. Vraag me niet waarom? Vermoedelijk gewoon een misplaatst vooroordeel en ik traditiegetrouw mijn huis tot haar komst altijd met katers had gedeeld.   

Onze poes Tom was al ernstig ziek, maar heeft toch nog een paar weken van haar speelse activiteiten mogen genieten. Samen met de kinderen bedachten we, mede door het misverstand, de naam Jerry en leefden we in de veronderstelling getuigen te mogen zijn van een leuk stripverhaal. 
Niet dus! Jerry bleek een meisje te zijn en omdat wij haar niet met een identiteitscrisis op wilden zadelen hebben wij haar na de dood van Tom  officieel als Cherie laten registreren. 

Mijn kleine kattenkop is inmiddels vijftien jaar oud en de baas in huis. Ze laat haar plekje naast mij in bed niet afpakken door Jip, die in het holst van de nacht ook een beetje nestwarmte zoekt. 
Ze gilt moord en brand als haar iets niet zint. Drinkt het liefst water uit de kraan en heeft mij niet vergeven dat ik de deur open heb gezet voor Mo, een toen vijf maanden oude kitten die vol vlooien en een paar soepogen op een dag in de herfst voor mijn deur stond te huilen. 

Hooghartig en met opgestoken staart wandelt ze langs haar heen alsof ze lucht is! 

Ja dat is Mon Cherie!

zondag 5 januari 2014

Portret van mijn ouders


Ik fotografeerde ze ergens in het begin van de jaren zeventig vorige eeuw afzonderlijk achter ons ouderlijk huis in de tuin. 
Nu zo'n veertig jaar later verenigde ik hen in olieverf samen op een stuk canvas. 
Wekenlang zocht ik naar wie ze waren. Mijn penseel aarzelend hangend voor het doek, sloot ik hun lippen. Opende ik hun ogen en zie...

mijn ouders.


maandag 30 december 2013

Forever Young

Ezeltje rijden op het strand 1898 Isaac Israël                                                    Rijksmuseum

Ik maakte deze foto afgelopen november in het Rijksmuseum en realiseerde me dat deze kinderen, hoewel gestorven toch eeuwig jong en aanwezig blijven.

Blijf eeuwig jong ook in 2014!


maandag 23 december 2013

Belichtingstijd: een goed verstand


Moeders handen

Moeders handen liggen blauw dooraderd en rimpelig voor me op het pluche tafelkleed. Eén hand omklemt met moeite een zakdoek, de ander kan ze na een val en breuk in haar elleboog niet meer gebruiken. We zitten in haar kamer in het bejaardenhuis waar ze nu woont. Mijn handen glijden tegen de vleug in over het kleed en trekken een schaduw. In mijn oren klinken de piepende geluiden die het pluche maakte, toen ik op een keer als kind met een schaar in het kleed knipte. Onwillekeurig trek ik mijn hoofd opzij om alsnog de dreun te ontwijken, die moeder me gaf toen ze het ontdekte.
Ze heeft er achteraf spijt van, heeft ze me zojuist bekend, dat ze ons, haar kinderen, gestimuleerd heeft om te gaan leren. Ik kijk met ongeloof naar haar. Naar haar mond die in een treurige streep links en rechts naar beneden trekt. We zijn zo veranderd, zegt ze. Ze kan ons niet meer volgen en vraagt zich af of wij er  gelukkiger door zijn geworden?

Ik durf de reikwijdte van haar woorden niet te vatten, de diepte van haar pijn niet te peilen. Eén klein kind op schoot, een paar anderen tegen haar aangeleund zie ik haar weer voorlezen uit het dikke vertelboek. Was je wat groter en kon je al lezen dan gaf ze je op zondagmorgen een dubbeltje. Daarmee rende je na het kerkbezoek naar de R.K.Bibliotheek om je favoriete boek te lenen. Wipneus en Pim, Daan de Eend, De vier wonderkippen, Arendsoog, Pim Pandoer, Bob Evers, hele series heb ik samen met mijn broertjes verslonden. Stijf tegen elkaar, gezeten aan de tafel midden in de kamer, las ik met mijn broer Dirk of Otto urenlang in hetzelfde boek. Wie het verst was zat rechts. Het verschil in pagina’s hielden we in een bundeltje omhoog. Links gezeten las ik als een bezetene, liet blad na blad vallen tot ik mijn broer minzaam kon meedelen dat we van stoel moesten verruilen.
Het was moeder die met Sint Nicolaas of een verjaardag, behalve naar speelgoed, naarstig zocht naar jongens- en meisjesboeken die pasten bij je leeftijd. Boeken waarvan mijn vader soms kwaad riep dat het zonde was van het geld en dat zij ze in de kachel moest gooien, omdat hij bang was dat wij ons verstand zouden verlezen.



Moeder rechts boven

Mijn moeder was de oudste van acht kinderen. Haar vader, mijn opa, werkte als boerendaggelder, een dagloner die als knecht bij een boer het geld voor zijn gezin verdiende. Het verhaal gaat dat hij in zijn jeugd onderwijzer wilde worden. 

We leven eind 19e eeuw, de Franse Revolutie ligt al een eeuw achter ons en het bloed aan de adellijke slagaders is al lang geronnen. Toch is de plaats waar de wieg van mijn opa staat nog altijd belangrijker dan de geestelijke vermogens waarmee hij wordt geboren.
Een geboorte die een drama is want zijn moeder sterft. De kleine Dries zal opgevoed worden door een veeleisende en koude vrouw, die aanvankelijk als huishoudster, later als de tweede echtgenoot van mijn overgrootvader de plaats van zijn moeder inneemt.



Op een goed bewaarde foto, ergens in het begin van de twintigste eeuw staat opa in een weiland tussen koeien. In het midden zit de boer met zijden pet, schijnbaar een koe te melken. In haar donkere hoog dichtgeknoopte jurk, het lange haar gekapt in een wrong, staat links van hem de boerin. Ze draagt op haar arm – gezien de wijze waarop ze hem toont - haar lievelingshond. Verder naar links staat een jonge vrouw met een nog kinderlijk rond gezicht. Aan haar schort dat tot op de voeten valt, hangt een verlegen meisje niet ouder dan drie. Helemaal rechts op de foto dicht bij de sloot waar de emmers worden gespoeld staat opa. Gekleed in boerenkiel, platte pet op zijn hoofd, draagt hij in zijn rechterhand een met metalen banden omringde houten melkemmer. In zijn linkerhand houdt hij het melkblok klaar om onder een koe op de grond te zetten.
Het bezit van grond, van landerijen bepaalt nog steeds de politieke macht. De boerenstand is oppermachtig en een dagloner moet zich niets in het hoofd halen. Mijn opa zal zijn hele leven werken als knecht, zijn verstand doet hij gelden in huiselijke kring. Ik herinner me bijvoorbeeld hoe hij tijdens de verjaarvisites van vader en moeder, heftig debatteerde  met mijn ooms en tantes over politieke issues, zoals het gevaar dat dreigde  vanuit Rusland onder Stalin en of we nu wel of niet onder de voet gelopen zullen worden door het communisme. 

Mijn moeder keek hoog tegen haar vader op. Opa was een principiële man die in huis de regels stelde, een godvruchtige man ook die aan tafel vóór bad. Een man die precies wist waar alles lag. Ieder stuk gereedschap, ieder schroefje en spijkertje had zijn eigen plaats in het keurig opgeruimde schuurtje. Hij was een echte man, zei ze soms. Niet te vergelijken met haar man, mijn vader, die zijn sokken nooit kon vinden, die zijn kinderen voor deed hoe ze op hun hoofd moesten gaan staan en met hen door het gras rolde als een nest jonge honden. In het begin van haar huwelijk had ze hem gestimuleerd om net als haar vader vóór te gaan in het gebed. Hij probeerde het één keer maar brak halverwege af. ‘Dat kan ik niet hoor,’ zei hij, ‘dat moet jij maar doen.’
Daarmee gaf mijn vader het heft uit handen. In ons huis was moeder de baas. Zij wist hoe het hoorde en wat goed was voor iedereen. Waagde ze zich één meter buiten het tuinhek veranderde ze in een verlegen, bijna schuwe vrouw. 
Deze foto staat boven mijn bed

De foto boven mijn bed geeft het prachtig weer. Tweede helft veertig en in hun zondagse kleren staan mijn ouders op de provinciaalse weg voor ons huis. Moeder zoekt bescherming achter vaders rug, onzeker kijkt ze over zijn schouder, terwijl een glimlach aarzelt rond haar mond. Vader heeft zich vierkant voor haar opgesteld. Hoed recht op het hoofd, brandende sigaret tussen de vingers, presenteert hij een brede lach.


Niet alleen opa, ook mijn moeder had een goed verstand. Ze vertelde ons dikwijls, dat ze op school een snelle leerling was geweest. Trots voegde ze er dan aan toe, dat de hoofdonderwijzer over haar had gezegd, dat het zonde was dat ze niet mocht doorleren, maar dat was in die tijd niet gebruikelijk. Het was voor een meisje, zeker uit een lagere stand, belangrijker dat ze een paar flinke handen aan haar lijf had. Moeders handen mochten er zijn en gehoorzaam als ze was ging ze zonder verzet op twaalf jarige leeftijd bij een familie onder dienst. Eén dag in de week keerde ze terug naar haar ouderlijk huis om oma te helpen, die een zwakke gezondheid had.

Goed kunnen leren werd ons familiewapen. Het gaf mij en mijn broertjes een rechte rug. Wij hebben geen geld, ook geen relaties die ons in bepaalde kringen voor kunnen dragen leerde ik ook mijn kinderen; ons kapitaal zit in onze schedel. Mijn kinderen, ze zijn goed opgeleid, maar toch stel ik me sinds kort ook de vraag of ze er gelukkiger door zullen worden?

Nieuw verworven kennis, voerde ik aan in mijn essay, zou alleen extra geluk betekenen voor kinderen van de werkende klasse als zij hun identiteit konden behouden. Hun eigen taal mochten blijven spreken, hun afkomst niet hoefden weg te moffelen en hun ouders niet te loochenen. Zo niet, zouden steeds meer kinderen die zich buiten hun milieu waagden vereenzamen. Het gevoel nergens bij te horen zou er toe leiden dat veel van hen in een crises zouden raken.   

Was het mijn eigen eenzaamheid waarover ik sprak? Een schreeuw om aandacht voor dat gevoel van verlatenheid? Een bijna niet te verwerken rotgevoel noemde Julia het in één van haar brieven. Ze verdacht mij ervan dat ik het moest kennen: ‘Altijd wanneer ik me angstig alleen voel in de rechtvaardiging van mijn bestaan tegenover andere mensen, schrijf ik in gedachten aan jou. Ik hou me vast aan de woorden, aan de zinnen om de illusie van niet alleen staan te beleven.’

maandag 25 november 2013

Belichtingstijd: geruite overhemden en manchester broeken



Carte postale staat er gedrukt op de achterkant van twee oude foto’s die ik van mijn vader heb gevonden. Op de één poseert hij met drie andere mannen en een jongen – een kind nog bijna – in een suikerbietenveld. Een van de mannen, gekleed in wit overhemd, opgerolde mouwen en een stropdas, is vast de baas waar vader zeven dagen in de week voor werkt. Op de achtergrond staat de glazen kas waarin hij op de andere foto met dezelfde mensen is afgebeeld, nu tussen jonge tomatenplanten. 



De foto’s zijn van vlak voor of aan het begin van de tweede wereld oorlog genomen. Vader, sigaret tussen de vingers en al helemaal kaal, draagt een alpinopet scheefgetrokken op zijn hoofd. Onder die pet heb ik zijn gezicht langzaam oud zien worden. Nu nog jong moeten bretels ervoor zorgen dat zijn werkbroek niet langs het magere lichaam naar beneden glijdt.

Op de vakgroep ontwikkelingspsychologie heerste een geest van wat ik het best als het arbeiderisme kan omschrijven. Studenten vereenzelvigden zich met de werkende klasse en bevolkten de collegebanken gekleed in de geruite flanellen overhemden en grove manchester broeken waarin ik mijn vader naar de fabriek had zien vertrekken. Hij werkte in die tijd op een grofsmederij en stookte de ovens waarmee ijzer werd gesmolten bij een hitte van 1200 graden. Iedere keer als ik een student in zo’n blouse zag, rook ik het zweet van mijn vader. Niet een zeepmiddel bleek in staat om de penetrante geur van zijn zweet weg te wassen, een geur die in blauwgrijze dampwolken omhoog kringelde als mijn moeder zijn blouse stond te strijken.
Het moet voor mijn ouders, mijn ooms en tantes  een vreemde gewaarwording geweest zijn dat, precies op het moment dat zij het zich financieel konden veroorloven om zich netjes te kleden en zich realiseerden, dat wilde je erbij horen je jezelf in pak met overhemd en stropdas moest presenteren, de high society rond ging lopen in oude T-shirts en spijkerbroeken met ingezette stukken.
Het was niet alleen populair om in arbeiderskleren rond te lopen. Studenten, vooral de mannelijke, lieten ongegeneerd winden en boerden midden in gezelschap. Het waren normale lichamelijke processen en het was burgerlijk om je daar voor te schamen. Tijdens een eerdere opleiding voor verpleegkundige beweerde een docent sociologie eens, dat je thuis een plek moest zijn waar je zonder meer een wind kon laten. Ik had dat al heel revolutionair gevonden en herinnerde me met schaamte de afkeer die mijn vader bij me opriep als hij een wind liet. ‘Trek eens aan mijn vinger,’zei hij dan tegen een van mijn kleine broertjes en liet vervolgens gewoon een keiharde scheet. Mijn broertjes vielen altijd om van het lachen, maar ik hoopte op zo’n moment, dat hij niet mijn echte vader was.
Meest prominente windelater onder mijn medestudenten was Kor, de zoon van een dominee. Hij maakte deel uit van mijn introductiegroepje. Kor gaf zijn winden overal de ruimte en sprak, zonder ook maar met één oog te knipperen, gewoon door over sociologische vraagstukken als de conflicttheorie van Galtung waar we ons toen hevig voor interesseerden. De lucht was vaak niet te harden, vooral als er Chili con Carne op het menu had gestaan, een gerecht dat je bijna zonder uitzondering kreeg voorgeschoteld als er in een grotere groep samen werd gegeten. We deelden veel met elkaar en ik denk met spijt terug aan mijn lievelingsplaat: Aretha Now, waarvan Kor vond, dat hij die wel even mocht lenen. Ik heb de LP met soulmuziek van Aretha Franklin nooit meer teruggezien. Kortgeleden heb ik de The Very Best  van haar op een cd’tje gekocht, maar haar stemgeluid klinkt minder mooi als wat ik mij herinner van die oude LP.
    

Als de dochter van een arbeider kregen mijn woorden in deze omgeving extra gewicht. Voor het eerst in mijn leven werd, wat ik wilde vertellen, belangrijk gevonden. Werd er naar mij geluisterd en later zelfs over mij geschreven: in de volkskrant door Ben Haveman, in het universiteitsblad door Wouter Noorderwier en in het boek Na Dennendal… dat Hans Spijker en Goof van de Wijngaart begin jaren tachtig schreven. 
Een gewicht dat ik moest leren dragen, ik was daar niet toe uitgerust. In mijn opvoeding leerde men mij om te dienen, om te zwijgen. Ik werd door de nonnen op school in het kolenhok gestopt als ik hardop zei dat de kinderen van rijke ouders werden voorgetrokken.


Wetenschappelijk was men vooral geïnteresseerd in maatschappelijk bepaalde machtsverhoudingen, waarvan men dacht dat die een ongunstige invloed hadden op de ontwikkeling van de persoonlijkheid. Achterstandsituaties van bijvoorbeeld kinderen uit arbeidersgezinnen zouden de oorzaak zijn van slechtere schoolprestaties en een lage doorstroom naar de universiteit. Net zoals nu bij de allochtone bevolking probeerde men een deel van het probleem op te lossen door arbeiderskinderen al heel jong aan intensieve taalprogramma’s deel te laten nemen. Om op die manier hun vocabulaire en denken te vergroten met woorden en begrippen die meer aansloten bij de taal waarin het onderwijs werd gegeven namelijk die van de middenklasse. 

In een vlammend essay: een geluid van de andere kant,  nam ik stelling tegen die opgedrongen taalprogramma’s en veroorzaakte heel wat commotie met mijn uitspraak dat het niet ethisch was om een klein kind een andere taal te leren spreken dan thuis gesproken werd. Dat het verwerpelijk was om de lieve woordjes waarin een moeder haar kind koesterde tijdens het voeden en waarin ze het de eerste gedragregels bijbracht als niet goed genoeg te bestempelen.
Ik stelde de vraag of de vernieuwers van onderwijs wel begrepen wat er gebeurde met een kind als dat een andere woordenschat ging gebruiken dan gewoon was in een bepaald milieu? Het kind plaatste zich op dat moment buiten de gemeenschap waar het thuis hoorde. In de ogen van ouders, ooms en tantes  ging zo’n kind naast zijn schoenen lopen. Het werd hoogmoedig en wilde niets meer met hen te maken hebben. In hun angst om het kind te verliezen zouden ze het belachelijk maken en dwingen om weer hun moers taal te spreken.

 ‘Jullie moeten gewoon blijven,’ hoor ik mijn moeder nog zeggen.






donderdag 19 september 2013

Belichtingstijd: Samen mens zijn


Na het behalen van het VWO diploma in 1973 scheidden onze wegen. Julia woonde weer in Amsterdam. Ze studeerde sinologie in Leiden met als hoofdvak Chinees en als bijvak Japans. Tegelijkertijd deed ze verwoede pogingen om haar huis op orde te krijgen. Ze klaagde onophoudelijk over de onrust die ze ondervond van de nog niet uitgepakte dozen en koffers die overal rondslingerden en waardoor het leek alsof het oorlog was. Naast de psychoanalyse en parttime werken als fysiotherapeut bleek de studie sinologie voor Julia te zwaar. In het voorjaar van 1975 besloot ze het bijvak Japans er voorlopig aan te geven. Uiteindelijk maakte ze niet een van de studies af en de gewoonte om na een verhuizing een deel van haar verleden in koffers verpakt te laten, heeft ze de rest van haar leven behouden.
Ik was na mijn examen aan de universiteit van Utrecht psychologie gaan studeren. Mensen met al hun gedragingen en de erachter liggende motieven boeiden me sinds mijn kinderjaren. Maar misschien had de docent, die het introductieblok sociale psychologie inleidde wel gelijk toen hij tijdens een van de eerste colleges de idee opperde dat psychologiestudenten eerst en vooral in zichzelf geïnteresseerd waren. Zeker is dat de onverwachte dood van Jaap een paar jaar eerder, mij opnieuw had doordrongen van het besef dat mijn leven nietig en kwetsbaar was. Dat het iedere dag onaangekondigd verpletterd kon worden zoals een vlieg doodgeslagen tussen de handen van mijn moeder. Kort daarvoor had ik hem nog vrolijk zoemend door de kamer zien vliegen op zoek naar een suikerkristalletje dat wij met het eten van onze boterhammen hadden gemorst. Een moment later lag hij, na de klap, brommend op zijn rug rond te tollen en veegde moeder hem op met stoffer en blik.
    Mijn verwarring over de zin van het bestaan, over wat het leven – mijn leven – voorstelde en wat ik daarmee aanmoest, waren de belangrijkste pijlers waarop mijn besluit om te gaan studeren was gevestigd. Het liefst was ik filosofie gaan studeren met mijn neus in boeken van denkers als Kierkegaard, Levinas en Sartre. Ik koos voor psychologie met als bijvak filosofie. Als de tijd me gegeven werd, zo dacht ik, zou een psycholoog zijn nut voor andere mensen kunnen hebben. Ik zou mijn ouders uit kunnen leggen, waarom ik na het behalen van diverse diploma’s in de verpleegkunde - waarmee ik volgens mijn moeder zoveel goeds kon doen voor andere mensen - een studiebeurs van de Overheid moest lenen om te kunnen studeren.
De keuze van Julia om in psychotherapie te gaan was in die tijd een opmerkelijke stap. Kunstenaars waaronder Julia’s moeder waren ervan overtuigd dat een analyse hen van hun drive, hun motivatie om te creëren zou beroven. 


De sfeer aan de faculteit waar ik studeerde was ook anti en wel in de breedste betekenis van het woord. Psychosociaal lijden en onaangepast gedrag zag men op de eerste plaats als een gezonde reactie van het individu op ongezonde maatschappelijke machtsverhoudingen. Kiezen voor therapeutische interventie betekende dat je in je werk als psycholoog mensen min of meer zou dwingen om zich aan te passen aan een ziekmakend maatschappelijke bestel.
    Onderling en met de docenten voerden we heftige discussies over de ethiek van dit vraagstuk. We waren het er over eens dat het aangrijpingspunt lag bij verdorven systemen en structuren, maar mocht je de enkeling, een mens die psychisch leed en niet in staat was om het systeem te keren zonder hulp onder laten gaan? Het was voor ons een enorm dilemma.
We leefden in een antitijd: antipolitiek, anticultuur, antiuniversiteit antigeneeskunde en van antipsychiatrie  met voormannen als Cooper,  Laing,  Foudraine en Carel Muller.
    Het was nog geen jaar geleden dat een lange stoet politiebusjes het terrein van de psychiatrische inrichting Dennendal opreed en op ruwe wijze een einde aan de droom van Nieuw Dennendal maakte. Gewoon:samen mens zijn! Was het antwoord van links georiënteerde jongeren op de medicalisering van de samenleving. Hun ideaal: zwakzinnigen uit het isolement van de opéénhoping  bevrijden, brachten ze in praktijk door samen met hen in een paviljoen op het terrein van Dennendal te gaan wonen. Ouderen, zieken en zwakzinnigen zouden weer met en tussen gezonde mensen samen moeten leven. Het fenomeen ging de wereld in als de verdunningstheorie. Het bestuur van de inrichting, departementen, rechtse politieke partijen, journalisten van rechtse dagbladen, maar ook veel ouders van pupillen raakten van deze nieuwe aanpak danig in paniek. Voor - en tegenstanders voerden felle debatten tot in de tweede kamer aan toe en ten slotte besloot de toenmalige regering Den Uyl om in te grijpen.
 Goof van de Wijngaart
Medewerkers van de vakgroep Ontwikkelingspsychologie, waar ik later zou afstuderen, waren verbonden geweest met het experiment, dat zich onder  leiding van Carel Muller in de bossen van Den Dolder had afgespeeld. Ze ontwikkelden een uiterst links studieprogramma en doceerden wat ze een kritische psychologie noemden. Uitgangspunt was hier net zoals in de vrouwenbeweging de eigen biografie aangevuld met theorieën van Marx, Engels en Freire. 

Bewustwording en vrijmaking werden gezien als processen noodzakelijk om bestaande verhoudingen binnen de bezittende - en de niet-bezittende klasse te veranderen. De samenleving, die dan zou ontstaan, zou in beginsel meer gelijkheid in kansen geven aan grotere groepen mensen.  En dat op zijn beurt zou weer leiden tot meer welzijn en minder ziekte.
    Examens werden afgeschaft. Een briefje met een aantekening dat je aanwezigheid op de betreffende colleges bevestigde, was voldoende voor het behalen van de benodigde punten. Een gang van zaken die bij Piet Vroon tijdens een van zijn filosofiecolleges de legendarische uitspraak uitlokte, dat op deze manier de honden die samen met hun baasjes de colleges volgden ook psycholoog konden worden.







maandag 2 september 2013

Belichtingstijd: als zand in een hand


Blij, speels, zorgeloos dollen. Je door geen tegenslag 
te neer laten drukken, dit kinderlijke vermogen ontglipte ons als fijn zand dat tussen je vingers door glijdt. Achteraf gezien vormt de zomer van 1975 het hoogtepunt van mijn vriendschap met Julia. Op de foto’s is al te zien hoe de dan nog ondiepe lijnen ons gezicht verscherpen. De jaren daarna zullen steeds meer gekleurd worden door eindeloze discussies, die we voerden over onze ongelukkig gekozen relaties en onvervulde liefdes.

Het begin van de verwijdering tussen Julia en mij zoek ik in de lente van dat zelfde jaar. Ontevreden met zichzelf klopte Julia aan bij een centrum voor psychoanalyse. In de gesprekken met haar psychotherapeut wordt Julia zich bewust van haar angst om haar ware emoties te durven voelen. In een brief aan mij vraagt ze zich af, of ze ook in mijn aanwezigheid bang is voor haar echte gevoelens. Of het misschien zo is, dat ze zich niet over durft te geven aan het gevoel van liefde dat ik in haar opwek. Niet lichamelijk, maar gewoon houden van. Nu ik jaren later haar brieven weer herlees, dringt de betekenis pas goed tot me door: Julia hield van mij.

Hoe knullig, onhandig en onervaren laveerde ik mijn gevoelens met grote bochten om haar heen. Zweeg ik over de blijdschap die vanuit mijn tenen voorzichtig omhoog kroop en bezit van mij nam als ze in mijn nabijheid was of me alleen maar belde. Ik kon me eenvoudigweg niet voorstellen dat zo’n mooi schepsel, wat in mijn ogen alles bezat wat mij niet was geschonken, zich ook maar iets aan mij gelegen zou laten liggen.

In flarden van herinnering tilt mijn moeder me uit bed. Gehuld in een wolk van pieslucht draagt ze mij op haar arm de huiskamer binnen. Zo direct spelt ze de natte luier los. De ramen zijn zwart van het donker buiten. De kamer wordt spaarzaam verlicht door de lamp boven de tafel. Zo klein als ik ben wordt mijn blik getroffen door een puzzel in een doos. Het deksel ligt er naast. Ik zie de felgekleurde stukjes hout in de vorm van vierkanten, driehoeken en ruiten. Strak geordend liggen ze in de doos op tafel tussen de andere cadeautjes. Het is vroeg in de morgen van zes december, de dag dat Sint Nicolaas jarig is. Niet eerder heb ik zo iets moois gezien.

De indruk die de mathematische puzzel op mij maakte ben ik nooit vergeten, evenals het besef dat dit cadeau niet voor mij, maar voor een ouder broertje was bestemd. Mijn zoon heb ik voor zijn tweede verjaardag een soortgelijke puzzel gegeven. Hij heeft er niet veel meegespeeld.

‘Ze huilt alweer,’ roept een van mijn broertjes naar mijn moeder. Hij rent met een potlood in zijn hand naar de kalender en zet een streepje achter een rij andere streepjes:‘vandaag al zeven keer!’
Jaren later heb ik aan mijn moeder gevraagd, hoe het kwam dat ik als kind toch zo veel huilde:‘was ik misschien niet helemaal gelukkig?’
‘Ach,’antwoordde ze, ‘als je zoveel kinderen hebt, zit er altijd wel een huiler bij.

De blaadjes van het schriftje zijn niet groter dan een half A4. Een rugspiraal houdt alles bij elkaar. Ik wil net als Anne Frank al mijn geheimen aan een dagboek toevertrouwen. Niemand weet het. Zelfs mijn moeder niet. Ik wacht nog één dag, wil de zoete spanningsvolle belofte van het blanco schrift niet loslaten. Voorzichtig zet ik daarna de eerste woorden op het lege blad. In donkerblauwe inkt en door iedereen te lezen verschijnen mijn diepste gedachten op het witte papier.
Geschrokken zoek ik naar een plaats in huis waar geen broer of zus het kan vinden. Achtervolgd door hun hoon, hun dodelijke lach vlucht ik naar zolder, waar achter een gordijn mijn moeder de kerststal heeft opgeborgen en stop het schrift tussen de in kranten gewikkelde beelden. Het ligt er een halve dag als ik op zoek ga naar een nieuwe plek. Beelden, ook al zijn ze heilig, beschermen mijn gevoelens niet. Nergens vind ik een veilige plek. Ik heb geen eigen kamer, geen eigen bed. In ons huis is je kont niet eens van jezelf, zegt mijn moeder steevast als ik soms ruzie maak met mijn broertjes en beweer dat een stoel van mij is, omdat ik hem het eerste heb gepakt.
Mijn dagboek wordt maar drie dagen oud. De beschreven velletjes verdwijnen in heel kleine snippertjes tussen het huisvuil achter in een sloot.

Hoe had ik Julia duidelijk kunnen maken dat ik ook van haar hield? Hoe had ik haar kunnen helpen? Ik denk daar af en toe aan terug: dat ik niets gedaan heb. Dat ik niet dwars door dat pantser van haar ben heen gebroken. Mijn armen om haar heen heb geslagen en haar getroost. 
Dat ik alleen maar naar haar luisterde zonder de betekenis van haar woorden tot me door te laten dringen.