Posts tonen met het label kort verhaal. Alle posts tonen
Posts tonen met het label kort verhaal. Alle posts tonen

woensdag 8 augustus 2012

Brief aan een ongeboren kind




Ik weet dat je er bent. Ik ben niet meer alleen. Je bent niet groter dan een speldenknop, een mini framboos, maar je hebt het stuur uit mijn handen genomen en vaart nu met mijn lichaam een eigen koers. Mijn borsten barsten uit hun sponning. Mijn vlees voelt loom. Mijn stappen zwaar als klei. Slapen wil ik, lang slapen; wegdromen als een plas water die in het moeras verdampt tot een heiig laagje lucht.

Vanmorgen ben ik op bezoek geweest bij een vrouwenarts. De test was positief. Hij heeft een echo gemaakt. Ik zag je op het scherm. Je lijkt op een garnaal waar armpjes en beentjes aangroeien. Je zwaaide naar me; schokkerig en traag. Op het zwart-wit fotootje in mijn hand ben je niet meer dan een lichtpuntje; een klein sterretje ergens in het heelal. Vreemd dat iemand tegelijkertijd zover weg en toch zo dichtbij kan zijn. De arts vroeg aan mij of je gewenst bent? Ik heb hem niet geantwoord.

Ik woon in een tweekamer appartement. We zullen de slaapkamer delen. In mijn linnenkast maak ik een plank voor jou leeg. Daar leg ik je kleertjes in rechte stapeltjes; rompertjes, T-shirts, jumpsuits. Vanmorgen op weg naar de supermarkt, passeerde ik een babyzaak. Ik was er niet eerder binnen geweest. Nu kon ik het niet laten. Aan lange rekken met hangertjes hingen vestjes en trendy jurkjes Op een tafel lagen spijkerbroekjes. Ik heb de een na de ander in mijn handen genomen, bekeken en de stof betast. Ik weet niet of je een jongen of een meisje bent. Ik heb niets gekocht, ook geen sokjes.

Word je een jongen? Mijn kleine bewonderaar, die zijn armen om mijn hals slaat, me afschermt van andere mensen en trots zegt: 'Mijn Mama!' Ik zal je knuffelen en troosten als je voor de zoveelste keer met stuk gevallen knieën thuiskomt. Zonder morren alle kleren wassen, vuil van het buiten spelen of die je meebrengt van het voetbalveld. Het voor je opnemen als ook maar één juffrouw of meester durft te twijfelen aan jouw talent.

Misschien ben je een meisje? Mijn dochter, die - hoe klein ze ook is - alles zelf wilt doen: jas dichtknopen, veters vastmaken, broek ophalen. Ik zal geduldig toekijken, niet ingrijpen, me niet schuldig voelen als je me een ontaarde moeder vindt. Je mag mijn lipstick, mijn mascara, mijn T-shirts, mijn schoenen met hakken en de Pil van me lenen. Ik zal je alle ruimte geven die je nodig hebt om een vrouw van formaat te worden. En als je huilen moet zal ik je zonder woorden vasthouden in mijn armen.

Vraag me niet naar je vader. Het stelde niet veel voor; een kortstondige liefde in eenzaamheid gesmoord. Een illusie, meer was het niet. Hij weet niet dat je er bent. Ik heb het niet gezegd. Jij bent mijn verantwoordelijkheid. Ik zal voor je zorgen. Ik houd van mijn werk, heb een leuke baan. We lossen het wel op. Weet je, er zijn kinderdagverblijven en oppasouders. Mijn eigen ouders heb ik nog niets verteld.

Vannacht heb ik gedroomd. Ik liep met jou in mijn armen op een grote markt. Uit de menigte om me heen drong een oude vrouw naar voren. Met een stem, die geen tegenspraak duldde, vroeg ze me om jou te laten zien. Ik gunde haar voorzichtig een blik. Ze staarde naar jou. 'Het is een mongooltje,' zei ze. 'Een mongooltje, hoor je!' riep ze vervolgens heel hard over het plein. In de stilte die volgde, keerden de aanwezige mensen zich naar ons toe. Ze wezen, lachten, sloegen zich op de dijen en riepen: 'Ze heeft een mongooltje.' Ik probeerde met mijn hand je te beschermen tegen het oorverdovende lawaai dat in golven over ons heen rolde. Ik trilde op mijn benen, transpireerde over heel mijn lijf. Toen werd ik wakker.

Ik heb een afspraak gemaakt met de vrouwenarts. Ik wil een gesprek over jou. Misschien had je het niet moeten doen: bij mij gaan groeien. Het zal heel moeilijk worden. Het leven is niet eerlijk. Er bestaat geen rechtvaardigheid. Mensen lijden honger. Voeren oorlogen. Vechten elkaar dood. Zelfs kinderen doen er aan mee. Huil niet! Ik ga alleen maar praten. We hebben nog tijd.

Vandaag heb ik het gesprek gehad. Er is een datum vastgesteld. Sorry! Het ligt niet aan jou. Met jou is alles in orde. Je danst en springt, draait je vliegensvlug om en om. Het kan niet. De waarheid is; mijn liefde is niet groot genoeg voor jou.




donderdag 12 juli 2012

Het huis in het duin

Het Zeehuis, Bergen aan Zee 1988                                                                                                  aqauarel


Het huis staat halverwege het duin. Geen storm heeft het in de afgelopen zestig jaar klein gekregen. Statig verheft het zich boven het strand, zoals de voorplecht van een schip opduikt uit de golven. Mijn grootouders hebben het laten bouwen. Sindsdien hebben verschillende generaties met hun kroost in ‘Huize Zeezicht’ hun vakantie doorgebracht.

Op de veranda in de grote schommelstoel wieg ik me zacht heen en weer. Rocking my baby: ooit wiegde mijn vader mij in deze stoel. Zittend op zijn schoot keken we samen naar de mensen op het strand. Vage herinneringen. Amper vier jaar oud verdween hij uit mijn leven. Mijn moeder nam me daarna mee naar de bergen. Huttentochten in Oostenrijk, Zwitserland en de Italiaanse Dolomieten. Ik was het huis compleet vergeten tot aan verleden jaar.
De neef ontmoette ik toevallig. Sinds kort beheert hij het huis en nieuwsgierig als ik was, heb ik een logeerpartij voor deze periode weten te regelen. Het komt me goed uit. Om de een of andere reden wil mijn leven niet lukken. Werkgevers, vrienden, vriendinnen… Hoeveel heb ik er al achter me gelaten? Iedere relatie begint zo veel belovend en dan na korte tijd als de banden te intensief, te dwingend worden raak ik in paniek.

Mijn benen over elkaar geslagen wipt een blote voet ritmisch op en neer. Het eeuwig aanwezige zand kriebelt tussen de tenen van de andere. In het licht van de bijna volle maan steekt het strand wit af tegen het donkere water. Af en toe een glinstering verraadt de kop van een golf. Dagenlang al duurt de hittegolf en de zee ligt er net als ik amechtig bij. De avonden op de veranda geven een lichte verkoeling. Daar ben ik dan ook steeds te vinden samen met de fles koude witte wijn. Ik schenk me nog eens in en wacht. Vraag me af of de kuilengraver weer zal komen?

Klokslag twaalf uur verschijnt het silhouet van een man op het strand. Zijn voeten slepen moeizaam door het zand evenals de schep in zijn linkerhand. Ter hoogte van het huis begint hij een kuil te graven. Precies om één uur stopt hij met spitten, kijkt naar het huis in het duin en verdwijnt in de richting vanwaar hij gekomen is.
Eerder die dag heb ik op het strand naar de plek gezocht. Geen kuil, geen voetstap, geen spoor van de schep heb ik kunnen vinden.

Plof! Plof! Mijn voeten maken diepe kuilen in het duin. Zand stuift in het rond. Vannacht neem ik geen genoegen met een blik uit de verte. Ik wil niet langer toekijken hoe de man zijn graafwerk verricht en ben uit de schommelstoel opgesprongen.
Mijn bloed klopt razend tegen mijn slapen en ik hijg als ik halverwege het strand roep: ‘hallo! hallo! meneer mag ik wat vragen?’
De man recht zijn rug en zet de schep in het zand.
Hij is jonger dan ik dacht. Eind twintig? Een paar jaar ouder dan ik zelf. Sympathiek gezicht. Bijna familiair. Donkerblond golvend haar. Gevoelige mond. Zijn smalle handen met lange vingers lijken mij totaal ongeschikt voor het graafwerk dat hij iedere nacht verricht.
‘Sorry,’zeg ik dichterbij gekomen. ‘Vanaf de veranda zie ik u iedere nacht. En …’
‘Logeer je in Zeezicht?’ Zijn stem klinkt zacht, bijna weemoedig als hij mij onderbreekt. ‘Ja natuurlijk logeer je in Zeezicht. Het familiehuis, maar waar ben je al die jaren geweest?’
Geweest? Waar ben ik al die jaren geweest? Wat bedoelt de man? Wat weet hij van mij?
‘Waarom graaft u hier ’s nachts in het strand?’
In de verte slaat een kerkklok één uur. Met zijn schep achter zich aan loopt hij langs me heen. ‘Ik bouw een zandkasteel voor mijn dochtertje, maar de tijd is te kort.’
‘Ben je al op de zolder geweest?’ Vraagt hij nog, dan verdwijnt hij weer in de schemer van het niets.

Alleen een boerenlinnenkast verder is de zolder leeg. Planken vol oude boeken en dozen met familiepapieren. Briefjes, kindertekeningen, vakantiekaarten en -kiekjes glijden door mijn vingers. Met een stapel oude logboeken keer ik terug naar de koelte van de veranda. Dat hier in dit huis zoveel kleine kindervoeten de trappen op en af renden. De ruimten vulden met gelach, met gehuil voor ze het duin afdaalden naar het strand.
Ik open een boek met 1988 – 1993 op de rug. Mijn moeders handschrift bewijst het; in de zomer van 1990 was ik hier voor het laatst. 22 juli ‘Afscheid van Zeezicht,’staat erboven aan de pagina.

‘Nooit keer ik terug naar deze verschrikkelijke plaats. Waar geluk veranderde in verdriet, in eenzaamheid. Het zal ook beter zijn voor Marion. Ze huilt aan een stuk door en wil niet geloven dat haar vader niet meer terug komt. “Papa moet mijn zandkasteel afbouwen! Hij heeft het beloofd.” Snikt ze zich iedere avond in slaap. Ik weet niet hoe ik haar duidelijk moet maken dat Herman dood is. Dat haar vader verdronken is bij een poging om een kind uit een mui te redden en dat hij haar achter liet op het strand, waar ze samen een zandkasteel bouwden(…).’

Uren heb ik gehuild. De andere dag staat de zon hoog aan de hemel als ik wakker word. Alleen een kop koffie heb ik op,als ik de schep zoek in de schuur. Het heeft een roodijzeren blad met daaraan een grote houten steel. Ik weet nog precies waar hij staat. Even later wandel ik het duin af naar het strand. De schep sleept achter me aan.

zaterdag 9 juni 2012

Vogels Vliegen


Mijn voetstappen klinken hol op het lege perron. Het fluitsignaal snerpt in mijn oren. Met een laatste krachtinspanning en een extra grote sprong bereik ik nog net het balkon. De trein trekt al op als ik hijgend neerval op de rode kunstleren bank. Mijn mond en keel zijn droog als perkament en aan de pijn in mijn borst te voelen, kunnen mijn longen ieder moment scheuren. Jezus nog aan toe is dat rennen. Gelukkig het bonzen van mijn hart zakt snel af. Amusant te bedenken dat, dank zij de verplichte fitness uren waar ik zo’n hekel aan heb, mijn conditie kennelijk top is. 

Pas nu heb ik oog voor het meisje dat tegenover me op de bank zit. Het is een jong meisje met een nog kinderlijk rond gezicht en donker krullend haar tot op de schouder.
‘Soms komt het goed uit, als een trein vertraging heeft,’ probeer ik een gesprekje. Ze kijkt me vluchtig aan met grote amberkleurige ogen. Het is de fluwelen blik van een jong hert dat zich in het schemerlicht behoedzaam op het terrein van de inrichting waagt. Ik heb ze vaak genoeg gezien.
‘Maar het was wel even rennen.’

Ze geeft geen antwoord. Ik trek mijn lange overjas uit en leg mijn sporttas, met de weinig middelen die ik mee heb kunnen nemen in het bagagerek naast haar kleine rugzak. Het meisje heeft ook niet veel bagage. Misschien net als ik weggelopen? Ik nestel me in het hoekje van de bank en strek mijn benen. 
‘Heerlijk vakantietijd. Twee plaatsen voor mij alleen en dat tijdens de spits.’
Hertje perst haar volle lippen stijf op elkaar en keert haar gezicht naar het raam. Haar hoofd gevangen in haar handen, haar ellebogen op het paneel bedoeld voor plastic bekertjes, kijkt ze dwangmatig naar buiten. Neen, ze wil niet met me praten.
De trein is op volle snelheid en Utrecht ligt al lang achter ons. Zachtgroene weilanden afgewisseld door industrieterreinen bezaaid met ijzeren loodsen flitsen voorbij. Hertje kijkt niet op. Ze wil mijn bleekblauwe ogen niet ontmoeten. Het geeft niet hertje, ik ben eraan gewend.

Zover mijn herinneringen gaan wenden mensen hun hoofd af. Zelfs mijn moeder vond het moeilijk om mijn aanblik te verdragen en draaide, de weinige keren dat ze mij moest helpen omdat het kindermeisje vrijaf had, haar gezicht van mij weg.
‘Hoe komen wij in vredesnaam aan zo’n vreemd kind met van die kleurloze ogen, die ook nog eens veel te ver naar links en rechts in zijn gezicht staan geplant,’ merkte ze soms op naar mijn vader. 
In spanning wachtte ik dan zijn antwoord af. Iedere keer weer hoopte ik dat hij zou zeggen: ‘Sofia, ik begrijp niet waar je het over hebt. Andries is misschien niet uitzonderlijk mooi, maar verder een gewoon en bijzonder aardig kind.’ Maar het antwoord van mijn vader luidde onveranderlijk: ‘ja, onze zoon is een Vogel, maar hij lijkt meer op een vis.’ Gevolgd door de korte harde lach, waarmee hij zijn eigen grappigheid koesterde.

Hertjes neusvleugels vlinderen snel op en neer. Ze weet dat ik naar haar kijk. Ze voelt hoe mijn blikken haar kleine gestalte aftasten. Hoe vragen zich opkroppen in mijn mond. Even haar hoofd in mijn richting en mijn lippen zullen zich openen. Zullen geluid geven aan vragen die ze niet wil horen, die ze niet wil beantwoorden. Ze wil niet weten hoe oud ze is. Waarom ze alleen op reis is gegaan en waar ze naar toe gaat?
Hoeveel jaar was ik, toen ik voor het eerst wegliep? De deur dicht trok van het huis waar ik mijn kinderjaren doorbracht. Waar ik rond dwaalde in lange donkere gangen en de deuren telde van de vele kamers waarin ik tevergeefs naar broertjes of andere speelkameraadjes zocht.
Was ik nog dertien of al veertien jaar? Het was een mistige dag ergens in november. Mijn ouders zaten aan een diner met een diplomatenechtpaar uit Japan. Mijn moeder had het personeel opdracht gegeven om mij, mijn eten vooraf op mijn kamer te serveren. Ik doolde verveeld door het huis. In de gang naast de eetzaal klonk het geluid van stemmen, van bestek en het verwisselen van serviesgoed tegen de achtergrond van lichte kamermuziek. In de hal ontdekte ik het geschenk van onze Japanse gasten; een papagaai opgesloten in een vergulde kooi. De Ara liep druk heen en weer op zijn stok en krijste naar wat ik vermoedde Japanse klanken moesten zijn. Dichter bij zijn kooi gekomen maakte het dier met zijn kopje diepe buigingen voor mij en keek met zijn zwartglanzende pupillen diep in mijn ziel. Een intense treurigheid maakte zich van mij meester. Alsof ik in een spiegel keek. Ik rende naar mijn kamer, stopte wat spullen in mijn rugzak en trok een warme jas aan. Terug in de hal haalde ik de Ara uit zijn kooi en stopte hem tussen mijn jas. Zo slopen we samen het huis uit.

Hertje kijkt nog steeds naar buiten. Haar vingers glijden door het haar terwijl ze zoekt in het raam dat haar spiegelbeeld zacht weerkaatst. We razen de Bijlmerbajes voorbij. Amsterdam is mijn doel. In de smeltkroes van illegalen en toeristen zal het zorgteam Andries Vogel niet kunnen vinden. Een vogel hoort niet thuis in een kooi. Een vogel moet vliegen en ’s nachts uitrusten op een dikke tak. In het Vondelpark staan grote bomen. Het is nu zomer en de nachten warm. Wie weet zal ik in de schemering het hertje zien. Waakzaam met haar rugzakje om zal ze zoeken naar een plekje om te rusten. Misschien zelfs zal ze onder mijn boom komen zitten en kan ik over haar waken als ze slaapt. Er zijn veel slechte mensen in Amsterdam, maar ik zal mijn vleugels uitspreiden en haar verbergen voor het kwade oog.

‘Over enkele minuten zullen we het station van Amsterdam Centraal binnenrijden,’ klinkt de stem van de conducteur door de Wagon.


                                                   

dinsdag 22 mei 2012

Liever naar Parijs


'Willem,' zegt mijn vrouw: ' als je er niets aan doet vertrek ik.' Het matras kreunt. Het dekbed bolt op. Als een fregatschip draait ze haar achtersteven naar me toe en valt prompt in slaap. Haar rug een vierkant van onverzettelijkheid. 

Ik trek mijn kamerjas aan en verdwijn in een kamer hiernaast waar mijn computer staat. Laatst ontdekte ik bij toeval op het internet een virtuele wachtkamer voor mensen met klachten als die van mij.
 Liesbeth is een lieve meid, maar sinds ze in de overgang is weet ik niet goed raad met haar. Ze wil van alles ondernemen. Op vakantie! Liefst een survivaltocht. Het nieuwste: zonder geld, onderdak of eten in Parijs rondzwerven, alleen om te kunnen voelen hoe het is om dakloos en berooid te zijn.

'In godsnaam Liesbeth waarom? We hebben een prachtig huis. Ik verdien genoeg geld. Waarom wil je dat we als clochards onder een brug langs de Seine gaan slapen?'
 'Ik wil voelen dat ik leef!' Zegt ze.

Dat woord 'voelen' komt steeds in haar vocabulaire terug en het blijft ook niet bij een survivaltocht alleen. Ik heb altijd gedacht dat als vrouwen in de overgang komen ze minder behoefte hebben aan dat... je weet wel. Helemaal fout! Vrouwen in de overgang zijn vulkanen die op punt van uitbarsten staan. Bereid om in een allerlaatste eruptie je met een stroom hete lava mee te sleuren.

Nu wil het toeval, dat die behoefte bij mij flink aan het afnemen is. Natuurlijk, Liesbeth lijkt na drie kinderen en dertig jaar verder, ook in niets meer op het verlegen meisje, waar ik – smoorverliefd – het overal mee wilde doen. Het liefst buiten onder de blote hemel; op het balkon van haar flatje, in een duinpan, open plek in het bos, achter de kampeertent, in de stortregen na een zware onweersbui. Nog net niet tussen de spoorrails, maar wel in de berm ernaast.
 
Liesbeth verlangt, nu de kinderen de deur uit zijn, naar dat leven terug. Maar wat ik zeg, bij mij is de heftigheid er een beetje van af. Het wil niet meer zo lukken. Beetje slappe hap, als je begrijpt wat ik bedoel. Een internet dokter weet veel en is minder privacy gevoelig. Ik moet er niet aan denken dat ik een collega tegenkom. Nu Google ik alleen het woord 'impotentie' en hup, zit ik in de wachtkamer op het erectieplein te chatten met lotgenoten. 
 Opvallend veel jonge mannen trouwens, die me suf lullen over te vroeg klaarkomen, 'm niet rechtop kunnen houden en over de nare bijwerkingen van de pillen die ze slikken. 

De internet dokter heeft de wachtkamer wat opgevrolijkt. In een vitrine ligt een pomp; het hulpje in bed uit eerdere tijden. Aan de wanden, in aquarel en achter glas, afbeeldingen van wat hij allemaal met je snikkel kan doen. Het inbrengen van één-, twee-, ja zelfs driedelige implantaten met een resultaat wat bij mij de gedachte oproept: staan blijven kreng!

Ik ga denk toch liever naar Parijs.

woensdag 25 april 2012

Een Verre en Hete Zomer



'Bert dood, mama?,' stamelt Aram. Hij zit in zijn stoel tegenover mij aan tafel en terwijl hij verwonderd naar een traan kijkt, die van mijn wimper druppelt, strekt hij een handje naar me uit. 
Ik vraag me af hoe hij dat nu kan weten? Aram is nog veel te klein. Een kind van anderhalf weet niets van de dood en ik heb mijn mond niet open gedaan. Alleen in stomheid gelezen. Het staat in grote koppen gedrukt op de voorpagina van de krant die voor mij op tafel ligt: Raadsel­achtige dood van twee Neder­landers op vakantie in Griekenland.

Het is gezellig rommelig in het kleine rijtjeshuis. Bert heeft kaarsen aangestoken en twee gla­zen rode wijn inge­schon­ken. Aan de wand hangt, ach­ter ­glas ingelijst, een grote foto: een groep badende jonge kna­pen in de sfeer van de jaren twintig. In het keukentje met de steen­tjes gootsteen hebben we samen de maaltijd bereid: aardappelen, bloemkool, karbonade en gemengde sla. Bert lust alles, behalve spinazie uit blik daar krijgt hij uitslag van. 
We maken grapjes over lastige pati­ënten in zijn huisartsen­prak­tijk, die maar niet mondig en geëmancipeerd willen zijn. Wisselen van gedachten over de laatste ontwik­kelin­gen in de ge­zond­heidszorg en de opnieuw aan­gekon­digde bezui­ni­gen. 
Een paar dagen ervoor had ik hem gebeld: 'Heb je deze week nog tijd ik wil met je praten?' Ik hoorde hem bladeren in zijn agenda barstensvol met afspraken. 'Kom donderdagavond bij me eten!' Nodigde hij mij uit. 

Ik veeg mijn mond af aan het papieren servet en neem een grote slok wijn: 'Ik wil een kind. Ik wil een bewust ongehuwde moeder wor­den!' 
Bert verblikt of verbloost niet. Over zijn gezicht trekt een brede lach.  'Wat leuk dat je aan die mogelijk­heid denkt!  
Daarna vertel ik hem mijn angsten; mijn twijfels over de juistheid van de keuze en de eventuele gevolgen. 
'Waar precies ben je bang voor?' Vraagt hij: 'Wat  houdt je tegen?' 
Ik vertel Bert, dat ik bang ben, dat er weer een oorlog uit zal breken en ik met mijn kind als eerste op een trein gezet word om vergast te worden. Dat mijn vrienden me af zullen wijzen, dat mijn familie me zal verstoten. Dat ze mijn keuze niet zullen accepteren en niets meer met mij en het kind te maken willen hebben. En het allerergste; dat ik niet genoeg van het kind zal houden, dat ik het in de steek zal laten?
'Doe het maar,' moedigt Bert aan terwijl hij een stukje bloemkool aan zijn vork prikt. 'Je zult tot een minder­heids­groep behoren. Een éénou­dergezin vormen. Maar je staat niet alleen. 

Ik neem nog een flinke teug wijn en kijk vanonder mijn neergeslagen wimpers met spanning naar de uitdrukking op zijn gezicht: 'Zou jij zelf kinderen willen hebben? Het hoge woord is eruit: Zou jij als vriend, de vader van mijn kind willen wor­den?'
Abrupt legt hij zijn vork en mes naast zijn bord neer en staart stil voor zich uit, dan antwoordt hij, bijna verlegen:Nee, ik wil geen vader worden. Een kind past niet bin­nen het leven dat ik leid.' 
 Hij schept nog een keer op en vertelt over zijn coming out, zijn afgebroken pries­ter­stu­die en zijn actieve homoleven nu. Het was een hele schok voor de vader die zijn enige zoon graag in de door hem opge­bouwde zaak had gezien. Voor de moe­der die hem een ere plaats in de kerk had toegedacht en voor de zussen die tever­geefs op een schoon­zusje, op nicht­jes en neef­jes hadden gewacht. 
 Bert geeft me het telefoonnummer van een kliniek in Zwolle: 'Maak er snel werk van.' Van een be­vriende collega die er werkt, weet hij dat ze er sinds kort ook alleen­staande vrouwen insemi­ne­ren.

Wat zich precies heeft afgespeeld op die camping in Grie­ken­land zal altijd een geheim blijven. Duidelijk is dat Bert dood is, omgekomen bij een crime passionel. Ze is er weer; de pijn waarvan ik dacht dat ik die nooit meer hoefde te voelen sinds het ongeluk met mijn broer Jaap. De schok. De verwarring. De leegte ook. De oude BMW die niet meer door de wijk racet. Niet meer voor de flat stopt. Geen gezamenlijke lunches meer. Geen ironische grappen. Weg vertrouwdheid. Alles verdwenen in één messteek Er zijn alleen herinneringen. Zijn zacht gezicht. De aarze­lende jon­gens­glim­lach. Zijn warmte bij het gedag kussen. Hij was zo blij, zo enthousiast geweest toen ik hem van de zwanger­schap vertelde. Tegen mijn ongeboren kind heb ik ge­zegd: 'Jij wordt niet zonder, maar met een heleboel vaders geboren.

Ik til Aram uit zijn stoel. Klem hem in mijn armen. Kus hem op zijn hoofd. Kus hem in zijn hals. Verberg mijn gezicht in zijn haar. 
's Avonds schrijf ik in mijn dagboek aan hem: 
 Lieve Aram, 
 Deze zomer gaat de ge­schie­denis in als één van de warmste zomers sinds drie­honderd jaar. De warmte is veel mensen naar het hoofd geste­gen. Mensen veroor­zaken bosbranden en steken scho­len in brand. Afgelopen week heeft een zestienjarige skinhead een jongen van vijftien jaar (Kerwin Duinmeijer) doodgesto­ken alleen omdat hij een gekleurde huid had. En Bert, een heel goede vriend van jou en mij, is door een vriend ver­moord.

De volgende dag bezorgt de post een vakantie­kaart. Het is een af­beelding van, 'Maria van Altijdduren­de Bijstand'. Een icoon uit de veer­tien­de eeuw, bewaard in een museum in Athene. Ik draai hem om en lees: 'Veel groe­ten en tot ziens.' Bert

woensdag 4 april 2012

HET BEZOEK slot



Buiten begin het te dagen. Het tabletje doet zijn werk en de oude vrouw haalt iets ruimer adem; tevreden ligt ze in het bed, haar ogen gesloten. Ze voelt geen druk van het half­donzen dekbed. Mieke heeft het onlangs ge­kocht. Dekens zijn te zwaar, ze zakken weg naar de grond en zij, Mijntje is on­machtig om ze op te pakken.

Ze droomt weg, beklimt de steile trap naar de zolder van het oude huis en haalt de dekens van de bedden waarin haar kinderen twee aan twee slapen. Met haar armen vol gaat ze naar bene­den; haar voeten kennen iedere tree. Door de openstaande buitendeur stroomt de voor­jaarslucht fris naar binnen. Ieder jaar hangt ze alle dekens over de was­lijnen te luch­ten. Een kleu­rig schouw­spel; twee lange rijen dekens waar haar kinderen opgewonden verstopper­tje in spelen.
 

'Lekker licht hè moeder,' heeft Mieke tegen haar ge­zegd.
 'Ja, hoor lekker licht,' mompelt de oude vrouw. Ze voelt geen gewicht en ook geen pijn in haar kapotte arm.
Ze opent haar ogen en kijkt verliefd naar Aart in haar stoel. Ze heeft hem zo gemist die lange laatste jaren. Het was in de crisistijd dat ze met hem ging verke­ren. Op de kermis leerde ze hem kennen. 's Avonds na het fees­ten had hij haar naar huis gebracht.
 Aart met zijn olijk bruine ogen en brede lach. Smoor­ver­liefd was ze geweest. Daar had de pastoor niets aan kunnen veran­de­ren: 'Maak het uit Mijntje,' had hij tegen haar gezegd. 'Die jongen heeft geen werk; van een mooi bord kun je niet eten.'

'Aart!' zegt ze moeilijk; haar droge lip­pen plakken aan elkaar. 'Wat is 't Mijntje?'
 'Ik heb er geen spijt van dat ik met jou ben gegaan.'
 'Ik ook niet Mijntje, je bent een goed wijf voor mij geweest. Altijd het eerste uit bed. In de winter de kachel opporren. Theezetten. En als ik vroeg in de ochtend, voor mijn werk een snee­tje brood at, zat jij al met je voeten op de stoof, je nachtpon open geknoopt een kleintje te voeden. Daar heb ik altijd graag naar gekeken, weet je: Jij met zo'n hum­meltje op schoot. Het was nog stil in huis, de rest van de kinderen lag boven te slapen. Je hoorde alleen het klok­kende geluid van het kindje dat zijn melk nam.'

Ze voelt weer hoe het kind zuigt aan haar borst; een aange­naam trekken dat eindigt ergens diep onder in haar buik, en de kleine vingertjes die kriebelen op haar vel. De herin­ne­ring doet haar glimlachen.

'Dan heb je lang kunnen genieten, Aart! We hebben samen veel kinde­ren gekregen.'
 'Dat moest van Meneer pas­toor.' Zijn stem klinkt veron­gelijkt.
 'Ja zeker, Aart, dat maak jij jezelf wijs. Maar Aart, je was er zelf toch ook niet vies van?'
 'Nee Mijntje, je bent een lekkere meid met een hete kont en ik heb graag met je gevrijd.'
 'Gek, die je bent!' Ze lacht zodat haar droge lippen pijn doen.

Het praten vermoeit haar. Ze doet haar ogen toe en blijft stil liggen. Haar grijze krullen in een krans om haar hoofd, haar huid ziet wit als was en scherp tekenden de lijnen haar gezicht.

Ja, Aart heeft haar veel kinderen gegeven. Tien heeft ze er grootge­bracht; acht jongens en twee meis­jes. Ze heeft het graag gedaan. Vooral toen ze klein waren heeft ze veel plezier aan ze be­leefd. Uitein­delijk zijn ze alle­maal goed te­rechtgekomen. Ze kunnen goed leren; hersens hebben ze, die kinderen van haar. Iedere zondag gaf ze hen, van het weinige geld dat ze besteedde, een dub­beltje voor de bibli­otheek. Wijsneuzen zijn het gewor­den. Eigenwijs soms zelfs, die het beter willen weten dan Aart en zij. Dat ze bijna niet meer naar de kerk gaan, daar heeft ze het moeilijk mee gehad, maar dat is de nieuwe tijd, daar kan je niets tegen doen.

Mijmerend trekt de oude vrouw haar ge­schiedenis, terwijl haar ogen diep en donker wegzakken in hun kassen en de druk op haar borst almaar zwaar­der wordt. Zo'n pijn heeft ze niet meer gevoeld sinds Jaap.

Het zwarte paard en de koets waarmee de tweelingen naar de kerk zijn gebracht zetten zich langzaam in beweging rich­ting ziekenhuis.
 'Eigenlijk weinig aan te zien, hè! Dat ziet er soms heel anders uit.' De stem van de broeder die de lorrie uit de koelcel rijdt klinkt ver weg.
 Ze bevindt zich samen met Aart in het halfduister van het mortuari­um. Ze houden elkaar vast. Aan hun voeten ligt, heel wit en stil hun zoon Jaap. Haarpieken plakken vochtig op zijn voorhoofd. Onhandig zijn de sporen bloed gewist. In een reflex duikt ze naar bene­den. Ze wil hem oppakken. In haar armen nemen en troosten. Hem weghalen uit die ijzige omgeving. Een hand houdt haar tegen. Ze mag hem niet aanra­ken, niet beroe­ren: 'Het lijk is in beslag genomen. Ze moeten nog obductie doen. Dat begrijpt ze toch wel? '
 Bevreemd luis­tert ze naar wat de broeder in zijn vak allemaal is tegenge­ko­men. Jaap laat ze achter. Zonder ver­zet. Ze is een verstandige vrouw.
 Aart heeft het niet kunnen verwerken; in één dag tijd was hij een oude man. 'Je kunt er beter tien krijgen dan één ver­lie­zen,' hebben ze tegen elkaar gezegd.

 'Aart!' Ze houdt haar ogen gesloten.
 'Ja, Mijntje?'
 'We hebben wel hard moeten werken en ons deel gehad.'
 'Ja, het was een geluk dat jij zulke flinke handen aan je lijf had en altijd zo'n opgeruimd wijf, anders had het er slecht met ons voorgestaan.'
 'Jij hebt je ook ziek gewerkt in het vuil van de fa­briek Aart, en moet je mij zien; ik kan niets meer. Mijn arm is gebroken en alle kracht is weg uit mijn handen.'
 'Mijntje, meid kom, ik neem je in mijn armen. We gaan.'

Verbaasd staart Mijntje in het wit van het plafond.
Buiten is de nieuwe dag begonnen.

donderdag 29 maart 2012

HET BEZOEK (2)



Mijntje kijkt naar de zwijgende figuur in de stoel. Een glimpje licht speelt op de kale schedel. Het zou de oude dokter kunnen zijn, denkt ze weer. Die is wel eerder bij haar van ver­moeidheid op een stoel in slaap geval­len.
Een fijne huis­arts is hij geweest, daar kan die jonge nog van leren. Die is gewoon doorge­gaan met het voor­schrijven van plastabletten. Ze weigeren betekende haar dood, dreigde hij. De urine liep bijkant langs haar benen en steeds moest ze om een zuster bellen. Ook 's nachts als ze het toch al zo druk hadden.
 'Wat moet u nu weer?' zeiden ze soms ongeduldig als ze haar kamer binnenkwamen.
 'Plassen, ik moet plassen,' ant­woord­de ze dan benepen. Bang dat de zuster, zoals laatst, expres aan haar kapot­te arm ging trekken. Ze had het uitgeschreeuwd van de pijn en zich be­klaagd bij haar dochter:
 'Dat nemen we niet moeder, dat mogen ze niet doen' en boos was Mieke naar het afdelingshoofd gegaan. Ze heeft voor een andere huisarts gezorgd. Een vrouwe­lijke dokter, een aardige meid, die wel een uur met haar praat en goed notitie van haar neemt.
 'Uw bloed­druk is veel te laag,' zei ze na het eerste onder­zoek. 'Daar­om bent u zo moe en zo duizelig in uw hoofd.'
 Het aantal plastabletten is flink vermin­derd en de pijnstillers waar ze suf van werd en de gele kalme­rings­ta­bletjes zijn van haar lijst ge­schrapt.

Op de oude dokter heeft ze altijd kunnen rekenen; bij nacht en ontij stond hij voor haar klaar. Vrijwel al haar kinderen heeft hij op de wereld gehol­pen. Alleen de laat­ste twee niet, daarvoor moest ze naar het zie­ken­huis. Thuisblij­ven was te gevaar­lijk nadat het mis was gegaan met de twee­ling; twee kleine jongetjes van nog geen drie pond elk. Lang hebben ze niet geleefd. Aart had het bij het rechte eind. 


 'Dat wordt niks Mijntje, daar moet je je geen voorstel­ling van maken,' heeft hij tegen haar gezegd. 'Ze huilen niet; ze kreu­nen, dat is niet goed.' Een paar uur later waren ze dood. Het drong amper tot haar door; zo zwak voelde ze zich na die opera­tie met al dat bloedverlies. Aart had haar koude handen in zijn warme knuisten genomen: 'Ik ben al lang blij als ik jou mag houden,' fluisterde hij in haar oor.
 De specia­list raadde verder kinde­ren krij­gen ernstig af. Maar ja dat was makke­lijk praten, ze had toch moeilijk van Aart af kunnen gaan. Nog twee flinke jongens zijn er gekomen.

 Nee, zoals de oude dokter heb je er niet veel. Was er een kind ziek dan maakte hij zijn bezoek. Met verwon­dering ziet ze hem weer op haar stoep staan.
 Haar klein­kind was ziek gewor­den en Otto, haar zoon en zijn vrouw konden niet naar hun huis in Zeeland. Het hele land lag lam van de ijzel. Rijden was onmoge­lijk; geen auto bleef op de weg en de streek­bus dreef in de Nieuwe Vaart. Maar de oude dokter had zijn op­wach­ting ge­maakt. Met sneeuw­ij­zers onder zijn schoe­nen gebonden stond hij in het donker voor haar deur. Blij ver­rast riep ze uit: 'Goh dokter dat u gekomen bent!'
 'Met een ziek kind moet je niet reizen,' antwoordde hij, 'en ik kan nog steeds geen diagnose stellen door een telefoon.'
 Het speet haar toen hij met pensi­oen ging. Meer dan veer­tig jaar was hij bij haar over de vloer geko­men; hij heeft zoveel bij haar gezien.

De pijn drukt zwaarder op haar borst. Taai slijm krie­belt in haar keel. Ze wil hoes­ten maar durft alleen te ku­chen. De man in de leunstoel beweegt. Ze reikt naar hem met haar goede hand: 'Dokter! Bent u het dokter?'

 'Blijf maar stil liggen Mijntje.'
 'Aart!' Het klinkt als een schot in haar hoofd. Aart zit daar in haar stoel. Haar hart bonst in haar keel en slaat een slag over.
 'Aart, wat doe je hier,' fluistert ze. 'Je bent al jaren dood.'
 'Ik ben voor jou gekomen Mijntje, ik wacht op jou.'
 'Aart, ik heb zo'n pijn op mijn borst, maar ik durf geen zuster te bellen; zulke spinnenkoppen als het zijn. Altijd druk met het weven van hun eigen web hebben ze geen tijd om een oud mens op de wc te helpen en mij een luier omge­daan. Een luier! Aart, ik die met mijn handen zoveel luiers heb staan wringen, lig nu zelf met een pieslap om.'
 'Je hebt gelijk Mijntje, het geeft geen pas. Ik zie nog hoe de bleek voor ons huis vol ligt met witte doeken. Bergen luiers met geelgroene vlekken heb je naar het veld gebracht.'

Door de mist van de tijd heen betreedt ze het met dauw bedekte gras­veld. Met haar stevige handen zoekt ze naar­stig naar hoe­ken, naar punten en ze hoort weer het klap­pende geluid waarmee ze de luiers uit ­spreid­de op het gras. Soms dreigde er een bui. Onrustig keek ze dan naar de lucht en bij de eerste regen sloeg ze groot alarm: 'Aart! Jon­gens! De was!'  Al wat lopen kon holde naar het grasveld om het droge goed binnen te brengen. Zo fris geurde het dan in de kamer naar die zonge­bleekte luiers.

 'Nee, Mijntje, jou een luier omdoen, dat kan niet! Maar het zal niet lang meer duren.'
 'Aart, op tafel staat een doosje met heel kleine witte tabletjes. Als je er één onder mijn tong legt, zakt de be­nauwdheid misschien wat af.'

 'Goed,' antwoordt Aart. 'Nog even dan.'


naar slot

zondag 25 maart 2012

HET BEZOEK


Mijntje opent haar ogen en kijkt verdwaasd in het wit van een plafond Haar hoofd voelt leeg en donker. Heel langzaam vormen zich haar gedachten: Waar ben ik? Waar is Aart? Paniek stijgt in haar op: Aart! 
Ge­luid­loos opent ze haar mond. 
Ze wil voelen links van haar in bed; de plaats waar Aart altijd slaapt. Een scherpe pijn houdt haar tegen. ‘ O ja! Herinnert ze zich weer, haar arm, haar elleboog is kapot. Met haar rech­ter­hand kan ze meer en aarze­lend tast ze rond. Haar vingers glijden over een smalle strook ka­toen, voorbij de harde rand van het bed tot ze de kilte waarnemen van behang op een beton­nen muur. Ze ligt in een smal bed, beseft ze, een eenper­soons­bed. Ner­gens voelt ze warmte, geen spoor van de ge­spierde armen of dijen van Aart.
 Mijntje huivert; haar lippen zijn droog en zweet parelt koud op haar voor­hoofd. Ze is wakker gewor­den van een drukkende pijn op haar borst. Voorzichtig ademt ze in en uit. Haar blik­ken dwalen door de ruimte. Ze bevindt zich in een kleine kamer met slechts één raam. Het licht gluurt grijs door een kier van het gor­dijn naar binnen; het moet nog vroeg in de ochtend zijn. Tegen de muur, recht tegen­over haar staat haar oude thee­kastje en ook de boeken­kast en het televisiemeubel herkent ze nu als van haar zelf. In het midden van de kamer ziet ze, zit­tend in haar fau­teuil de contou­ren van wat een manspersoon moet zijn.

Traag krijgen de beelden hun bete­kenis. Ze is in haar kamer in Mariënpark, weet ze weer: Het be­jaar­den­huis, waar ze sinds enige jaren woon­t. Maar, wie zit daar in haar stoel? Ze tilt haar hoofd wat omhoog uit het kussen om beter te kunnen zien. De man leunt achter­over. Hij zit onder­uitge­zakt met zijn rechter­voet kruislings over het linker bovenbeen. Het is een vertrouwd beeld en toch een beetje vreemd. 

Kan het de dokter zijn? Of de pastoor? Zou het zo slecht met haar gesteld zijn? Ze is op leef­tijd; de afge­lo­pen zomer heeft ze haar vijfen­tachtig jaren groots ge­vierd. Als voor haar de kerk­klok­ken luiden zullen de mensen in het dorp niet treu­ren: 'Ze heeft haar tijd breed ge­had'.
Ze scherpt haar blik en haar gedachten krijgen meer vaart. Nee, de pastoor is het niet. Dat ziet ze aan de ronde schouders, de korte nek en de gladde schedel. De pastoor is veel hoeki­ger, groter ook dan de man daar in haar stoel. Boven­dien loopt de pastoor zo hard niet meer. Waarom zou hij ook? Het vorige jaar heeft hij haar samen met een hele groep oude vrou­wen en mannen van de laatste sacra­menten voor­zien. Allemaal tegelijk. Uit voor­zorg, dat is weer zo,n nieuwigheid. Niet een van haar kinderen had er bij kunnen zijn.

Zangerig klinken hun kinderstemmetjes in haar oren: 'Lie­ve heertje ik ga slapen, want de dag is weer voor­bij.' Ze is terug in haar eigen huis, in de woonkamer en zit met haar dikke buik op een rechte stoel. Door het glas-in-lood van de bovenramen schijnt de avondzon in een brede baan naar binnen en stofjes dansen op en neer. Op de ruwe kokosmat knielen haar kinde­ren om haar heen.

'Lieve heertje zegen mij ...' bidden ze met samenge­vouwen handen en gesloten ogen, het avondgebed dat ze van haar hebben geleerd. Kleine Freek zit op haar schoot. Ze helpt hem zijn handjes vouwen, dat is een heel gedoe, die korte dik­ke vinger­tjes ineenstren­ge­len. Het lukt en ze legt haar handen er stevig omheen.
'Amen,' roept de kleine boef. Hij probeert zich los te wurmen. De kinde­ren aan haar voeten gluren grinnikend tussen hun wim­pers door.
'Engeltje zoet, bewaar Simon, Mieke, André, Otto, Dirk, Jaap….goed,’ helpt ze.
'Amen,' roepen ze nu allemaal en wrijven hun pijnlijke knieën waarin de mat wit staat afgedrukt.
'Allemaal plassen en naar boven!'
'Eerst nog een beetje water.'
'Mag ik ook wat drin­ken.'
'Ik ook dorst.'
Als ze eindelijk liggen, loopt ze nog een keertje langs hun bedden. Stopt hier een deken in, trekt daar een laken recht en doopt haar vingers in het wijwaterbakje met het palmtakje dat aan een balk midden op de zolder hangt. Nat trekt ze kruisjes op de gladde huid van hun voor­hoofd: 'Welterus­ten, trus­ten... tot mor­gen...'

Morgen doet er niet meer toe. Zijn duim zalvend in het gouden doosje met Heilig Oliesel was de pastoor zijn kudde rondgegaan. Hij maakte kruisjes op haar voor­hoofd, haar lippen, haar han­den. Alles werd haar verge­ven; verkeer­de gedachten, drif­tige woor­den en ook de tikken die ze had uitge­deeld. Voor­zichtig voel­de ze aan de hand die krachte­loos naast haar in bed lag. Ze had zich dikwijls zeer ge­daan.
Nee, het is niet de pastoor die daar zit. De dokter dan? De oude dokter zou het kunnen zijn! Niet de jonge die leek er niet op. Die zal ook niet durven komen. Die is door haar oudste dochter de wacht aange­zegd.

'Een nul is het,' heeft Mieke gezegd: 'Een kwakzal­ver, die ver­dient aan de pillen die u van hem moet slikken. Wie geeft een oud mens als u nu zoveel medicijnen?'

Het is waar, ze heeft zich leeg ­geplast aan de tablet­ten die hij voor­schreef. Dag en nacht moest ze naar de wc. Haar nacht­rust schoot erbij in en op het laatst slingerende ze op haar benen. Met Pasen is het gebeurd: recht voor de ingang van de kapel is ze onderuitgegaan. Pas in het zieken­huis kwam ze weer bij haar positie­ven. Zes weken hebben ze haar daar gehou­den, haar lin­kerarm strak­getrok­ken in een stella­ge van gewich­ten en ijzerdraad. Het heeft niet gehol­pen, de elle­boog is niet geheeld. Hulpeloos keerde ze terug in het be­jaar­den­huis: een arm als een boom­wor­tel, haar elle­boog zo dik als een knie en vin­gers stijf opge­zwol­len van het vocht. Overal moet ze om vragen. Zelfs haar eigen direc­toire kan ze niet meer op- of neerhalen. Nee, de jonge dokter zal niet bij haar in de stoel gaan zit­ten.


naar vervolg

woensdag 14 december 2011

Hiep hiep er wordt er ééntje jarig! (slot)

In het einde van deel 3 vertrok Aram net 15 jaar oud met zijn vrienden naar een houseparty in Zaandam.



Opgewonden kwam Aram de andere dag terug naar huis. Helemaal te gek! Wat een feest! In de organisatie hadden wel een paar weeffoutjes gezeten, de bus had niet gereden en bij de garderobe was het een bende geweest. Uiteindelijk had hij maar een bomberjack aangetrokken.
Opgelucht dat hij gezond weer thuis was, maakte ik me kwaad over de afgesloten kranen. Dat de jeugdgezondheidszorg daar niet op lette. Twintigduizend jonge mensen hakkend naar hun kookpunt en geen druppel water op de wc's! Op maandagavond kon ik het feest zelf zien, TMF deed verslag, een uitzinnige menigte. Allemaal tegelijk uit hun dak. Het Woodstock van de jaren negentig. Telkens dacht ik Aram te zien, maar dichterbij de camera gekomen bleek het een ander zeehondje te zijn.
Aram zelf vulde vakken bij Nederlands grootste kruidenier. Centjes verdienen voor zijn volgende feest. Hij stond al met één been buiten op straat toen hij riep: 'Mam, neem je het even voor me op!

En dat heb ik gedaan, het voor hem opnemen toen familie, vrienden en kennissen hun vragen gingen stellen:'Gaat dat wel goed met die jongen?' De discussies laaiden hoog op. Fel verdedigde ik mijn kind. Hoe durfden ze het te veronderstellen? Aram een fascist? Aram begreep er helemaal niets van:'Mam! Alleen om hoe ik er uit zie! Ik woon toch in een vrij land!'
Reisde hij naar party's in Groningen, Zwolle en zelfs naar Gent, nadat hij een paar maal van zijn fiets af was getrokken en aan het geweld nauwelijks ontkomen, vermeed hij de oude wijken in zijn eigen stad. Ruimte en vrijheid, ondervond Aram, waren niet onbeperkt. Het mes dat een meisje op een houseparty onverhoeds in zijn dijbeen plantte, deed de rest. In een klap was hij zijn gevoel van veiligheid kwijt.
Ik was woest. Hoeveel energie? Hoeveel slapeloze nachten had het mij gekost om Aram geborgenheid te geven? Die stomme trut bracht het met één messteek om zeep. Ik rustte niet voor ik die meid voor de rechter had gesleept. Aram wilde niet mee: 'Mam, zulke enge lui!' Dus ging ik alleen. Geen vader, geen moeder in de rechtszaal aanwezig om de snotterende verdachte te ondersteunen. Alleen een oom, die haar als kind ooit 's avonds laat op zijn stoep had gevonden, deed een goed woordje voor haar. Mijn boosheid verdampte. Hoe kon ik spijt en begrip verwachten van iemand die zelf nooit had ervaren wat veiligheid, wat geborgenheid was?
Vanaf zijn zestiende verjaardag liet Aram zijn haar weer groeien. Hij droeg weer gewoon een spijkerbroek en trok de zwarte flyers bij hem van het behang. Samen hebben we zijn kamer in lichte warme kleuren geschilderd.

Ik haast me naar de keuken. Ik heb nog veel te doen; een appel- en een kwarktaart bakken en sinds een paar jaar staat er ook een chocoladecake op de traktatielijst.Aram geef ik dit jaar maar geld voor zijn verjaardag.
'Mam, heb je schone lakens voor mij?' vraagt Aram de dag voor zijn verjaardag.
Ik zie met stijgende verbazing hoe hij de stofzuiger uit de werkkast sleurt. Hij is net uit school thuis gekomen, heeft zich niet eens een kop thee gegund.
'Ja, hoezo! Ik heb je bed toch pas nog verschoond.'
'Roos komt vannacht bij me slapen.'
'Oh!' Aram vraagt niet; 'mam is het goed als...'. Nee, Roos, een klasgenootje en sinds een paar maanden zijn vriendin komt bij hem slapen. Hij wordt immers jarig. Ja haar ouders weten ervan en hebben geen bezwaar. Het eenpersoonsbed is ook breed genoeg. De rest van de vragen: zou ze de pil gebruiken? Wat als er iets mis gaat met een condoom? slik ik in. Het zijn nog kinderen... Ik wil niet denken aan de nacht. Wel aan de morgen. Aan een heerlijk verjaardagsontbijt met warme broodjes, croissantjes en een glaasje sinaasappelsap.

's Avonds drinken Roos en Aram een kopje thee bij mij in de huiskamer. Roos in pyjama op de bank. Aram dicht naast haar met zijn armen om haar heengeslagen. Twee zwaar behaarde benen steken onder zijn badjas uit.


©Sagita 



'Hiep,hiep er wordt ééntje jarig!'
verscheen eerder in de 
verhalenbundel "Zwanenzang" 
uitgegeven door Boekenplan.

vrijdag 9 december 2011

Hiep, hiep er wordt er ééntje jarig! (3)

© Sagita

Ik leg de stapel T-shirts bovenop de zwarte, kunstlederen hoes met daarin een kapperstondeuse plus toebehoren. Een verjaardagscadeau, van mij aan Aram. Vijftien jaar was hij geworden en het hele huis rook naar testosteron. De deuren werden zo hard dichtgeslagen dat de woningbouw er aan te pas moest komen. 
'Die deuren hebben nooit goed in de hengsels gehangen, verdedigde ik Aram. 'Het is een constructiefout. U denkt toch niet dat ik het goed vind dat mijn kinderen hier met de deuren slaan!'

Een paar maanden van te voren was hij er over begonnen: 'Mam, weet je wat ik voor mijn verjaardag wil?' Een tondeuse dus.
Voorzichtig had ik mijn bedenkingen geuit: 'Zonde van je mooie haar, opa was op zijn zesentwintigste al helemaal kaal en zet je jezelf niet in een hoek waar je niet hoort.' Aram wuifde ze allemaal weg. Ik moest toch begrijpen dat hij een echte Gabber wilde zijn. Hij hield van de muziek en zou naar houseparty's gaan. Daar kon je geen haar gebruiken. Veel te warm!
Wat was eigenlijk het verschil met mijn generatie, vroeg ik mezelf af? Langharig en werkschuw tuig, daar waren de babyboomers voor uitgemaakt. Na een paar jaar wennen maakte niemand zich meer druk. Zelfs niet over dienstplichtigen met een paardenstaart.
Negenenvijftig gulden moest de tondeuse kosten, inclusief vier opzetkammen, schaar, kam en kappersmantel.
'Een prima ding voor die prijs,' zei de verkoper.
Precies twee keer niet-knippen door de kapper rekende ik vlug uit. 

Een week na zijn verjaardag moest het gebeuren.
'Mam, wil je me even helpen?'
Eén voor één vielen zijn dikke, donkere lokken op de grond en op mijn schoenen. De afwerking verzorgde hij zelf met zijn tondeuse. Na het bad, om alle kriebelhaartjes weg te spoelen, keerde hij terug in de kamer, waar ik nog bezig was met het opvegen van zijn haar. Verrast zag ik zijn gezicht. Zijn vochtig glanzende ogen. Ze leken groter nu met alleen de dikke zwarte wenkbrauwen erboven. 'Oh Aram, je lijkt op een zeehondje!'
© Sagita
Met mijn hand streek ik over zijn hoofd. Zijn huid voelde wonderlijk zacht. Ik dacht terug aan de tijd dat ik hem op mijn borst in de draagzak droeg. Mijn jas eromheen geknoopt om hem te beschermen. Vinnig keek hij over de kraag. Mensen bogen zich over ons heen. Legden hun hand op zijn bolletje.

Samen met zijn vrienden vertrok hij naar Zaandam. 'Veel plezier en zorg goed voor jezelf,' riep ik hem na. Hij had moeten beloven geen pillen te slikken. 'Die heb jij helemaal niet nodig. Neem maar een aspirientje dan ga je ook als een speer en mocht je toch moe worden dan rust je gewoon even uit.' 


naar deel 4 (slot)

'Hiep,hiep er wordt ééntje jarig!'
verscheen eerder in de 
verhalenbundel "Zwanenzang" 
uitgegeven door Boekenplan.

maandag 5 december 2011

Hiep, hiep er wordt er ééntje jarig! (2)



©Sagita                                                                                                                     Gravingen bij het ochtendgloren
 
Overmorgen wordt Aram zeventien jaar. In zijn kast zoek ik naar een plekje voor de stapel schone T-shirts. De bovenste plank kan ik vergeten; scheergel, acné lotion, deo for men, eau de toilette, glijden vluchtig door mijn handen heen. Wattenschijfjes slingeren er los tussendoor, evenals de condooms die uit de verpakking zijn geraakt. Hij koopt ze nu zelf. Vierentwintig stuks lees ik op het doosje.

Nog nooit had ik condooms gekocht. Ik had me als puber teveel gegeneerd voor de pakken maandverband die ik bij de kassa af moest rekenen. De zomervakantie stond voor de deur. Aram was dertien en hij wilde niet meer met mij en zijn zes jaar jongere broertje David mee naar het naturistenterrein. Ja hoor, hij zou gek zijn! Zeker een beetje in zijn blote kont rond gaan lopen! Nee, dan hadden we toch echt de verkeerde voor.
© Sagita
Gravingen, waar ik hem nog in mijn buik had rondgedragen. Waar hij peuterde en kleuterde. Waar we kampeerden. Zelfs de naam mocht niet meer hardop uitgesproken worden. Met pijn in mijn hart kocht ik voor hem een abonnement voor het zwembad.

Aram werd een man. Op mijn vraag hoe het er mee stond antwoordde hij: 'Dat gaat jou niks aan.' Op eerdere vragen van mij in die richting had hij met een twinkeling in zijn bruine ogen geschertst: 'Nee, hoor mam. Wat denk je eigenlijk wel?'
Nu gooide hij de deur bot voor mij dicht: 'Dag Mam, bemoei je maar met je eigen zaken!'
Dat was gemakkelijk gezegd, maar wat waren mijn zaken en wat waren de zaken van een jongen van dertien? Met een week zouden we afreizen naar de Vogezen. Veertien dagen kamperen met andere ouders en veel pubermeisjes.

Het huis aan huisblad viel net op tijd in de brievenbus. Een reclame van het Kruidvat; 'twaalf condooms voor tien gulden' spatte van de voorpagina. De volgende dag stond ik met David, die niet thuis had willen blijven, naast me voor de toonbank van een filiaal.
'Ik wil condooms.' Mijn stem klonk stevig.
'Welke wilt u hebben?' vroeg de verkoopster. Kennelijk een routine vraag.
'Ik weet niet, wat u allemaal in de aanbieding heeft.' Mijn stem klonk minder vast.
'Dit is de eerste keer dat ik condooms koop,' biechtte ik ruiterlijk op.
David, die het gesprek met ontzetting had gevolgd, rukte aan mijn arm. 'Mam! Mam! Wat moet jij nu met condooms?'
'Ze zijn niet voor mij, maar voor je broer. Als jij groot bent zal ik ze ook voor jou kopen,' suste ik hem. ' Het is voor mijn oudste zoon,' lichtte ik de verkoopster nu ook in. Het meisje nam me mee naar de hoek van de toonbank, naar een rekje gevuld met platte, vierkante doosjes in verschillende kleuren.
Condooms bleken te variéren in de maten medium, large en extra large, in kleur en in dikte, al of niet met toevoeging van zaaddodende en/of virusdodende vloeistof. Kosten: achttien gulden voor een verpakking met twaalf condooms zonder iets extra's. Ik twijfelde. Wat moest een jongen van dertien jaar met zoveel condooms? Voor hij aan de laatste toe zou zijn was het rubber misschien verteerd! Gelukkig bleken er ook verpakkingen van drie stuks te bestaan. Die pasten meer bij mijn doelstelling; uit voorzorg.

We kwamen thuis met twee verpakkingen van drie condooms, gedrenkt in zaaddodende en virusdodende vloeistof. Ik brak mijn hoofd over hoe ik Aram de condooms op een tactische manier kon overhandigen. David hielp me uit de brand. De voordeur amper gesloten riep hij: 'Aram! Mama heeft condooms voor je gekocht!'
'Voor de vakantie,' lichtte ik verlegen toe. 'Je kunt niet weten en je bent al een man.' Zijn gezicht verhelderde; hij wilde graag een man zijn. Waardig nam hij de verpakking aan.
'Het is wel een dure business,' kon ik niet nalaten te zeggen. 'Zes gulden dertig, drie condooms. Ruim twee gulden voor een wip.'
'Toch goedkoper dan naar de hoeren,' antwoordde hij.

Even later passeerde ik de openstaande deur van zijn kamer. Hij zat op zijn bed en wurmde met zijn korte, dikke vingers een condoom in een vakje van zijn portemonnee. Hoe lang was het nou helemaal geleden, vroeg ik mezelf af, dat hij met een zorgelijke blik gezegd had: 'Mam, ik ga nooit vrijen hoor, als ik groot ben.'
'O nee, waarom niet?'
Hij had een vies gezicht getrokken en geantwoord: 'Daar krijg je aids van.'





naar deel 3

'Hiep,hiep er wordt ééntje jarig!'
verscheen eerder in de 
verhalenbundel "Zwanenzang" 
uitgegeven door Boekenplan.

zaterdag 3 december 2011

Hiep, hiep er wordt er eentje jarig! (1)


                         © sagita
Een week van tevoren beginnen mijn dagelijkse speurtochten door het huis. Achter kamerdeuren, in hoeken, onder bedden en op stoelen, overal vind ik vuile sokken, onderbroeken, T-shirts, truien en spijkerbroeken. Witte, bonte en fijne kledingstukken rommelen rond in de wasmachine, moeten gedroogd en gestreken worden. De vloer wordt met was gedweild, de koelkast gesopt en de ramen gezeemd. Tussendoor maak ik lijstjes met boodschappen, stap keer op keer op mijn fiets en kom zo'n anderhalf uur later zwaar beladen weer terug.  Hiep, hiep er wordt er ééntje jarig!

Ieder verjaardagsfeest is voor mij een testcase waar vrienden, familie en de oppervlakkige aanhang van de kinderen met eigen ogen komen kijken of het wel verantwoord is: zo'n moeder alleen met twee kinderen. Komen die schapen niets te kort?

Hoe vaak is de afgelopen jaren aan mij de vraag gesteld of mijn kinderen, Aram en David, geen vader missen?
Pfff...! Alleen de gedachte wind me al op. Missen! Waar waren die vaders toen mijn biologische klok keihard begon te tikken? Geen man in mijn vriendenkring die het vaderschap ambieerde. Met hoeveel van hen heb ik het bed gedeeld? Wel vrijen! Neuken! Niet één durfde met mij dit avontuur te beginnen. Kinderen pasten niet in hun leven of de wereld was al overvol. Gezwam!  Gewoon te schijterig om verantwoordelijkheid te nemen en bang dat hun veilige wereldje overhoop zou gaan. Een spermabank heeft mijn kinderwens vervuld. Vanaf het moment dat ik voor het eerst zwanger was, heb ik mezelf beloofd, dat niet één man nog ooit tussen mij de kinderen zou komen.

Op Arams eerste verjaardag stonden om twee uur 's nachts de taarten nog in de oven. Intussen zwoegde ik bovenop een stellage van eetkamerstoel plus kinderstoeltje met spelden in mijn mond en handen om de slingers aan het behang vast te prikken. Steeds als een kant vast zat en ik de stellage naar de tegenoverliggende hoek van de kamer had versleept, kwam de versiering weer naar beneden. Liggend op het vloerkleed blies ik om half vier 's morgens tot slot de ballonnen op. Het huis geurde naar appeltaart en amandelen toen Aram om zes uur wakker werd. Verrukt wees hij naar de ballonnen, klapte in zijn handen en riep: 'Dootjes, dootjes.'
Familie en vrienden vierden massaal zijn eerste verjaardag mee. Ik holde heen en weer met lekkere hapjes en drankjes. Aram verhuisde van schoot naar schoot en werd door iedereen geknuffeld. Op wankele beentjes stapte hij rond en keek verbaasd naar de kinderen, die zich op zijn speelgoed stortten.

Eindelijk om zeven uur 's avonds vertrok de laatste gast. Aram zag spierwit. Ik legde hem in bed. Terug in de huiskamer keek ik verdwaasd om me heen; overal vuil vaatwerk, geen stukje speelgoed meer op zijn plaats. Plotseling hoorde ik Aram krijsen op een manier dat ik er van schrok. Ik rende zijn kamer binnen, juist op het moment dat ik hem zijn bed uit tilde, begon hij over te geven. Aram gilde nog harder; hij raakte totaal over zijn toeren van het braaksel dat in een grote boog zijn mond uit vloog.

Aram in mijn armen. Zijn armpjes om mijn nek. Zo hebben we samen nog lang in de grote stoel gezeten.






'Hiep,hiep er wordt ééntje jarig!' verscheen eerder
in de verhalenbundel "Zwanenzang"
uitgegeven door Boekenplan in 2002.






zondag 9 januari 2011

O, heerlijke Griep! slot

Ziek kind 1986                                                                                                                                             aquarel 


Sinds een half jaar staat er bij mij in de woonkamer een Sony flatscreen van flink formaat me zwart aan te kijken. Stop je er een mooie film in, dan wordt het een ander verhaal. Dus pak ik een plaid, schik de kussens en nestel me op de ruime Ikeabank in gezelschap van een flinke stapel Dvd's en een grog waarin ik bij gebrek aan cognac maar whiskey heb verwerkt.
Ik heb lange films uitgezocht, zodat ik lang kan blijven liggen. De North and South serie over de Amerikaanse burgeroorlog heb ik pas nog bekeken. The Godfather dan? Nee toch maar niet. Geen zin in al die lijken. Ik kies voor: ' De Graaf van Monte Cristo' met Gérard Depardieu in de hoofdrol. Die heb ik echt heel lang niet meer gezien en duurt alles bij elkaar zeven uur. Af en toe haalt de griep me even in en val ik in slaap, maar dat is dan weer zo fijn van een Dvd!

De volgende dagen prop ik de ene na de andere film in de bek van de DVD speler. Kijk op een videoband, lang geleden opgenomen documentaires terug met in de hoofdrol Doris Lessing, Agatha Christie en een uitzending van Nachtsalon met ach...Michaël Zeeman nog, in gesprek met Aya Zikken. Allemaal vrouwelijke schrijvers. Toevallig? Mijn vingers jeuken. Ik bedwing me. Geef me over aan de beelden en het leidmotief van de film Dr. Zjivago:' Somewhere my Love.' De balalaika zingt als een leeuwerik hoog boven het orkest een lied van hoop en vrees. In een golvende beweging trekken uitgestrekte narcissenvelden en lange ijskoude winters op het flatscreen aan mij voorbij.

Helemaal geïnspireerd sla ik later het boek toch open. Ondanks dat ik lezen in bed , zeker met zo'n dik boek, een bijna onmogelijke opgaaf vind, ben ik direct geboeid. In het voorwoord maakt Peter d'Hamecourt een vergelijking met de film. Overheerst in de film de romance tussen Joeri en Lara met de revolutie als decor. Het boek is een politiek document, een aanval op het kwaad: de revolutie zelf, die monsters als Stalin voort brengt. Bij het lezen van het eerste hoofdstuk bewonder ik de mooie woorden van Nicolaj Nikolajewitz. De oom van in het boek Joera genoemd en die de opvoeding van zijn neefje, na het overlijden van zijn zus op zich heeft genomen.
Ik bijvoorbeeld heb nooit geweten dat ik niet in de natuur, maar in de 'historie' leef. Dat ik dat aan het op naastenliefde gebaseerde Christendom te danken heb en dat de vooruitgang alleen vanuit deze bezieling mogelijk is. Ik citeer: 'Pas na Christus hebben de eeuwen en generaties vrij kunnen ademhalen. Pas na hem begon het leven in het nageslacht, en sterft de mens niet meer op straat tegen een schutting, maar thuis in de historie.'

Dat is het dus! Zonder het te weten, heb ik het gedaan. Vertel mijn jongste zoon dat het 'not done' is om thuis eerst alle schappen leeg te eten en terug te keren naar je studentenkamer zonder eerst een nieuw voorraad voor je zieke moeder te halen. Dat ik zelf mijn zieke vader heb verzorgd. Bij ieder attaque mijn boekentas heb gepakt tot hij op een dag onder zijn eigen dak in mijn armen is overleden. Dat je niet moet willen leven in een maatschappij waarin mensen niet meer voor elkaar zorgen!
Slapend kind 1988                                                     krijttekening                                                    

                                    
Mijn zoon. Hij begrijpt en leert snel. Haalt een tas vol boodschappen bij Albert Hein. Blijft nog een dagje langer thuis en roept bij zijn vertrek: 'Je moet me wel bellen hoor Mam, als je me nodig hebt!'


Nog niet genoeg van de griep? Hier vindt u een verhaal over de Mexicaanse griep.

vrijdag 7 januari 2011

O, heerlijke Griep! (2)


Ik druk een aspirine en een paracetamol uit de strips in een glas half gevuld met water. Zie toe hoe de tabletten langzaam uiteenvallen in vormeloze hoopjes namaak sneeuw. Schud en gooi de witte vloeistof in één keer achter in mijn keel. Met dit mengsel verhoog ik de kwaliteit van mijn griepleven. Dr. Zjivago van Boris Pasternak, kijkt mij van het nachtkastje verleidelijk aan. Ruim 500 pagina's dik en vertaald door Nico Scheepmaker kocht ik het boek voor de kerst van 2009 en hoewel het sinds die tijd steeds zichtbaar aanwezig in mijn nabijheid verkeert, heb ik er alleen wat in gebladerd. Ik neem het opnieuw in mijn handen. Weeg het denkbeeldig in een op- en neerwaartse beweging.

Bij dikke boeken moet ik altijd terugdenken aan mijn grootmoeder. Zie ik haar weer zitten in een stoel in de tuin van mijn ouderlijk huis met op haar schoot 'Oorlog en Vrede' van Tolstoi. Ik heb het waargenomen en geen vragen gesteld. Het is meer de verwondering die is blijven hangen: dat mijn grootmoeder, dat kleine vrouwtje, de echtgenoot van een daggelder, van die dikke uit het Russisch vertaalde boeken las! Grootmoeder verraste mij overigens wel meer. Bij voorbeeld de keer dat ze 's avonds met mijn ouders en een oudere broer of zus een spelletje kaart speelde. Pandoeren heette het spel. Vraag me niet naar de inhoud. Ik was een kind en nam enkel waar. Zwartgebloemd jurkje, grijs vest losjes om de schouders en het witte piekhaar dat altijd weet te ontsnappen aan de grote schuifspeld, die achter op haar hoofd de boel bij elkaar moet houden, bestudeert ze de kaarten in haar hand. Ze is aan zet. De spanning in de kamer loopt op en terwijl ze een kaart uit haar hand pakt, zegt ze: 'Nu zal je eens een aap zien neuken.'

Mijn grootmoeder – Ruim zeventig jaar oud. Halverwege de jaren vijftig. De seksuele revolutie is nog niet begonnen. Het duurt nog jaren voordat Joop van Tijn tijdens de presentatie van 'Open en Bloot' het hele Nederlandse volk inclusief de regering zal shockeren door, in beeld en weliswaar bekakt, het woord hardop uit te spreken. – gebruikt, alsof dat doodgewoon is, het woord: neuken! Ja nu kunnen we erom lachen, maar toen staarden wij grootmoeder ongelovig aan. Begrepen niet hoe het mogelijk was dat er zo'n woord kwam uit dat lieve zachte al wat rimpelige mondje!

O, heerlijke Griep! (1)


Nog voor ik iets uit de media heb vernomen, lig ik al geveld en dat nog wel op de allereerste dag van het nieuwe jaar. De afspraak die ik rond het middaguur maak om de volgende dag mijn jarige broer persoonlijk te feliciteren zeg ik per omgaande af. Griep komt als een dief in de nacht, maakt van je agenda een waardeloos vodje papier.

Het is even wennen! Kan me niet herinneren wanneer ik voor het laatst, rillerig en gewapend met een rol keukenpapier in mijn slaapkamer verdween. Ik dacht dat ik in de eerste veertig jaar van mijn leven wel zo'n beetje alle griepvarianten had doorgewerkt. Niet dus!
Het duurt niet lang voor ik de voordelen van een griep krijgen ontdek. Om te beginnen hoef ik mijn hond niet uit te laten.
'Moet ik dat doen!'
'Ja,' antwoord ik mijn ruim twintigjarige zoon, die sinds de kerstdagen zijn studentenkamer in Breda heeft verruild voor het goedkope gemak van zijn oude kamer thuis. 'Tenzij je me dood wil hebben, lijkt het mij niet verantwoord dat ik met een hoofd vol snot en 39 graden koorts Jip uit ga laten.'
'Kan je de buurvrouw niet vragen!' Probeert hij nog, maar ik ben onverbiddelijk. Wijs hem er fijntjes op dat ik hem in de zomer van 2009 , toen hij als een van de eersten met de Mexicaanse griep thuis kwam, zonder morren en met liefde heb verzorgd.

Een griep krijgen is eigenlijk heerlijk! Het is een voorziening van God om ons arme tijdeigenen even los te koppelen van alles wat we moeten doen. Griep kan een nieuw begin in je leven zijn. Ik denk aan hoe Aya Zikken ooit haar schrijversbestaan begon. Man griep, twee dochtertjes griep en zij maar sloven en dromen van de verhalen die ze op wilde schrijven, maar waar ze geen tijd voor vond. Ze hoopte dat ze ook griep zou krijgen en die losgewoelde tijd zou kunnen gebruiken voor zichzelf. Waarom weet ik niet, maar moeders krijgen nooit griep, ook Aya niet. Ze vervloekte de god die haar onthield van wat ze zo nodig had en wendde griep voor. Sloot zich op in de slaapkamer met pen en schriftje en schreef het met een aaneengesloten pennestreek vol. Het was de aanzet van haar boek 'Als wij groot zijn, dan misschien,' waar ze in 1954 mee debuteerde en haar naam mee zou vestigen. Ik heb meerdere boeken van haar in mijn bezit. Haar dochter, waar ik mee bevriend was, vertelde mij het verhaal. Kinderen hebben het moeilijk als ze opgevoed worden door een moeder die zelf ook wat wil. Daardoor beïnvloed vond ik Aya in die tijd een ontaarde moeder. Nu en zelf moeder van twee grote zonen vraag ik me soms af : Wie is er hier niet geaard?