zondag 9 mei 2010

Terug naar het Uddelermeer (3)

Het niet te vermijden web                      kleurenviltstift op papier 50x60 cm

Zaterdag 2 juni 1979 (vervolg)

Een week geleden heb ik het besluit genomen. Ik wil weg. De stad uit. Weg uit de hoogbouwwijk waar ik woon. Ver weg van de herrie die jonge jongens op scooters iedere avond tussen het beton van de flats rond strooien. Waarmee ze elkaar uitdagen als ridders op een toernooi. Burglen als bronstige herten. De stilte verstoren tot op vijfhoog waar ik leef als een rups in een cocon.

Ik moet me bevrijden uit het web van leugens en intriges waarin ik verstrikt ben geraakt. Me los maken van Simon. Weg van zijn woorden die rondzingen in mijn flat. Hij bracht zijn wekelijkse bezoek. Flesje wijn. Glimlach. Vrijen is er al lang niet meer bij. Alleen een gesprek met het steeds terugkerende onderwerp over dat ik moet nadenken. Me moet richten op dat wat het allerbelangrijkste is in het leven. Als ik dat doe, komt alles vanzelf goed.

Ik heb vast, net als Alice in Wonderland, van een verkeerd koekje gegeten, want ik krimp ineen.
'Waartoe zijn wij op aarde?' Vraagt de man, gekleed in een zwarte lange jurk die tot op zijn schoenen hangt. Met een rits knopen waarvan ik het aantal nog niet kan tellen, staat hij vlak voor mijn neus, in de eerste klas van de lagere school, met een boekje te zwaaien.
Het is De Kathechismus, het leerboek voor kinderen van de katholieke kerk waar, als je niet goed oplette, letterlijk mee om je oren werd geslagen.

Vlak voor zijn vertrek vertelt Simon en passant dat hij een paar weken weg is. Hij heeft een vakantie in Frankrijk geboekt. Net zoals verleden jaar en alle jaren daarvoor vraagt hij niet: 'Jana ga je mee?'
Mijn bloed vlucht weg uit kleine haarvaten. Laten mijn voeten en handen koud achter. Mijn gezicht ijzig wit. Het verzamelt zich in een dik pantser rondom mijn hart. Voorkomt dat het breekt als het besef binnendringt. Een glas wijn verdrijft de droogte uit mijn mond. Maakt mijn lippen weer zacht en soepel. Ik kus hem op de slap hangende huid van zijn gezicht. Wens hem een fijne vakantie toe. De naam 'Marry' spreek ik niet uit.

Ik ben nog nooit alleen op vakantie geweest, laat staan kamperen in mijn eentje. Mijn nieuwe levensmotto: 'ik ben wel bang, maar doe het toch,' spreek ik meerdere malen daags alsof het een medicijn betreft, hardop uit. Op de Veluwe liggen genoeg mooie campings. Hanneke is nadat ze Misja en mij in Utrecht heeft uitgezwaaid, met de trein naar Harderwijk vertrokken.
'Ik maak er met Misja een leuke fietsdag van,' heb ik haar beloofd.

In Bilthoven stoppen we voor een eerste pauze. Nestelen ons op een bank bij een vijver. Misja gooit stukjes van zijn boterham in het water. Een moeder eend met twee kleintjes snateren er op af. Na een kwartier fietsen we weer verder, door de bossen van Den Dolder en langs het NS-spoor naar Soest. Klokslag drie rijden we Amersfoort binnen. In een snackbar in het centrum eten we een patatje. Nemen een ijsje toe. Misja wil een raket. In rood en gele kleuren druipt het snel smeltende waterijs langs het stokje over zijn handen. Bij het fonteintje in de WC fris ik hem wat op. We hebben nog een heel stuk te gaan.

donderdag 6 mei 2010

Terug naar het Uddelermeer (2)


Zaterdag 2 juni 1979

De klanken van het carillon trillen nog na in de lucht als ik de Dom om twaalf uur de rug toekeer en samen met Misja, het zoontje van mijn vriendin Hanneke, de stad uit fietst. Zijn blote bruine benen trappen de pedalen van de kinderfiets razendsnel rond.
In de gang bij hem thuis staat al een groter model, maar dit fietsje kan de komende zomer nog goed dienst doen op de camping in Harderwijk. Alleen hoe vervoer je een kinderfiets over een afstand van ruim 60 km zonder auto?

Trots kijk ik neer op de donkere bos krullen naast mij. Naar het verhitte kindergezicht. Het is warm. Zeker 25 graden. Op zijn neus en bovenlip glinsteren fijne zweetdruppeltjes. Zijn hoofd beweegt driftig heen en weer. Als de korte slinger van een koekoeksklok, volgt het de bewegingen van het kleine voorwiel, dat hij ingespannen sturend met moeite in een rechte baan op de weg houdt.
Ik bedenk, dat ik mezelf wel een specialist mag noemen in het organiseren van fietstochten met kinderen. De vorige zomer, heb ik ruim twee weken met drie tiener meiden een kampeertrektocht door Nederland gemaakt. Ik heb ervaring met fietsen die tegen de grond aan worden gesmeten. Met fietssleuteltjes die rakelings langs mijn hoofd vliegen en met in elkaar gedoken figuurtjes in de berm die gillen:
'Nee, nee, nee, ik doe het niet meer!'
'Bekijk het maar, ik ga niet verder.'
'Gaan jullie nu maar, ik blijf hier liggen!'
Nog een paar jaar eerder, de jongste was tien jaar, maakte ik een dagtocht met ze van bijna 100 km. Op oude tweedehands fietsen vanuit het Westland door de duinen naar Alkmaar. Een avontuur rijker, voldaan en trots op hun prestaties krijg ik ze altijd weer terug in het ouderlijk nest. Alleen Misja is nog geen acht jaar.

donderdag 29 april 2010

Terug naar het Uddelermeer (1)


Oeps! Daar gaat hij! In een boog vliegt de kleine jongen naast me, over het stuur van zijn fiets de berm in. Met een schok staat mijn fiets stil. Heel even maar heb ik tijd om 'hups' uit het zadel met mijn voeten de vaste grond te bereiken. Nergens in de kant langs de Oude Rijksweg bespeur ik een boom of paaltje waartegen ik de zwaar bepakte kolos kan parkeren. Dan maar plat in het gras. Overeind krijgen is van latere zorg. Eerst naar het kind dat onder in de berm verdwaasd om zich heen zit te kijken.

Pinksteren 1979

Ik ben Jana en mijn besluit staat vast. Ik wacht niet langer op een uitnodiging van een vriend of vriendin om samen iets te ondernemen. Ik sta op van de bank tegen de muur in de schemerdonkere zaal, waar de dansleraar me lang geleden heeft neergezet. Waar ik moet wachten, omdat dat zo hoort! Glimlachend. Welwillend. Jongens lopen keurend langs. Maken met hun hand een uitnodigend gebaar. Voeren het meisje van hun keuze naar de dansvloer.
Ik gooi het boek over etiquette van Amy Groskamp-ten Have 'Hoe hoort het eigenlijk' met een grote zwaai bij het oud papier. Ik ben geen koe. Wens niet op een markt verhandeld te worden. Ik heb mijn eenstokstent met andere noodzakelijke kampeerspullen achterop mijn fiets gepakt. Ik vertrek voor een weekend kamperen op de Veluwe. Tussen mijn bagage mijn dagboek en een boek van Dorothee Sölle met de titel: Lijden. Ik wil nadenken. Nooit meer wachten! Ook niet op Simon.

donderdag 22 april 2010

Woensdag 21 april




Woensdag 21 april is de dag dat ik niet wil leuteren over eenzaamheid of bijna doodervaringen. Nee woensdag 21 april is de dag, dat een jongen van 23 jaar de dood echt ontmoette. Niemand heeft hij er ooit over verteld. Zijn ervaringen liggen samen met hem in het graf. Alleen ik - zijn zus - kan er nog wat over na zeuren. Op mijn tuin een foto maken van een wilde appelbloesem en deze hier op de site zetten ter nagedachtenis aan wat nooit tot volle wasdom kwam.

donderdag 11 maart 2010

Winters: nu & toen -slot



 Winter 2010 loopt op zijn einde. De koudste sinds veertien jaar met veel sneeuw. Ik heb er van genoten, maar realiseer me ook dat het, met een koudegetal van bijna 95 niet echt een strenge winter was. Gezien het machine gebreide jack dat ik draag – gekocht voor mijn eerste wintersport vakantie februari 1965 – dateert de foto boven uit de winterse periode in februari/maart 1965. Een winter met een koudegetal van 57.7 maar met een late vorstperiode waar genoten werd van sneeuw en ijs.
Ik dus. Samen met mijn zus (rechts) en twee jongste broers poseren we hier voor... ja voor wie? Vermoedelijk voor een andere broer met in zijn handen de Afga-klak van moeder. We schaatsten op het ijs van de Nieuwe Vaart in mijn geboortedorp; de vaart waar iedereen naar toe komt als het ijs sterk genoeg is, waar de schaatswedstrijden worden georganiseerd en waar ook onze toekomstige Koning Willem Alexander wel eens is gesignaleerd. Mijn zus en ik rijden op kunstschaatsen, dat was heel gewoon in die tijd. Mijn zus was zeer bedreven; draaide, sprong, zwierde er lustig op los. Bij mij ging dat niet vanzelf.

Zeventien jaar oud heb ik eindelijk genoeg geld om zelf kunstschaatsen te kopen. Weg met de ingevette schaatsen verpakt in oude kranten, afdankertjes van de vorige generatie. Trots open ik de vierkante doos, verwijder het vloeipapier en snuif de geur op van verlijmd leer. Daar liggen ze. Hagelwit, bruine hak en zool met de verchroomde ijzers er op vastgeschroefd. Met een omgekeerde schaats in mijn hand, volgt mijn vinger de zachte ronding van het glijvlak tot aan de ingeslepen tandjes vooraan. Geen kromming, geen braam te zien. Met zulke schaatsen moet het buiten overhangen geen probleem zijn. Het is een kwestie van niet bang zijn, geen angst om te vallen. Erop vertrouwen dat de ijzers niet onder me weg zullen glijden als ik opzij hel. Die nacht staan de schaatsen in de doos onder mijn bed en droom ik tot aan de morgen dat ik de kunst van het figuurrijden beheers. Ik voel hoe mijn lichaam één wordt met de schoenen en het ijs, terwijl ik afwisselend links en rechts overstap. Buiten over hang. Van links naar rechts over het ijs zwier. Wakker geworden sluip ik met mijn schaatsen in mijn handen naar buiten, naar de bevroren sloot gelegen achter wat we 'het grote bos' noemen. Uit het zicht van broers en zus voltrekt zich het wonder. Alsof ik me die nacht in bed heb ingeschaatst rijd ik mijn rondjes, hang buiten over zonder onderuit te gaan.

Met het verklaren van de hoeveelheid sneeuw die de afgelopen winter viel (41 dagen met sneeuwdek), keerden de weerdeskundigen steeds terug naar de winter van 1979 met 60 sneeuwdekdagen. Even voor het begrip: Een sneeuwdekdag is een dag waarop, gemeten om zeven of negentien uur, er een laag sneeuw ligt van minstens één cm. De winter van 1979 was echt koud, met sneeuwstormen die het openbare leven in het noorden van ons land voor meerdere dagen totaal ontwrichtte. Sinds 1901 een zevende plaats in de rangorde: koudste winters. 
De foto van mij met de zeer jonge kinderen van twee van mijn broers op de slee, is genomen in 1979 eveneens op de Nieuwe Vaart, maar nu richting dorpskern. Het zal op een zondag zijn geweest. Iedereen even terug naar het ouderlijk huis. Op bezoek bij oma, een sneeuwpop maken in haar tuin en daarna een sleetocht met Tante over het ijs.

Een paar jaar later ben ik zelf moeder. Met behulp van de koudegetallen van Hellmann heb ik mijn eerste tien kinderjaren vergeleken met die van mijn beide zoons en ontdekt dat mijn kinderjaren met een gemiddelde van 121 flink kouder waren dan van Aram en David met resp. 75 en 56 hellmannen.

De o zo belangrijke kinderfoto's in de sneeuw. Van Aram heb ik er nog wat kunnen maken: in de kinderwagen tijdens een korte periode ijs begin 1982. Als peuter op de kinderboerderij, eenden voeren in het wak van de bevroren vijver. Ik heb voor hem zelfs echte houten doorlopers gekocht. De winters van 1985 en 1986 waren flink koud en het zal deze laatste winter zijn geweest dat hij, hier vier jaar oud, zijn eerste schaatspogingen doet.De doorlopers zijn daarna niet meer uit de kast geweest. 


 

De prille jaren van David verliepen zonder ijs of sneeuw. Van hem niet één foto als baby of peuter in een witte wereld.
Reeds vijf jaar oud, tijdens een zomervakantie in de Franse Alpen, verwonderde hij zich voor het eerst over dit natuurverschijnsel. Opgewonden toont hij mij hier 'een voetstap' gevonden in de sneeuw. Het zou tot de winter van 1997 duren voor ik hem op schaatsen had staan.


 




IJspret op de grote plas langs het Hoogekampse Pad. Hier trekt David zijn eerste baantjes. Samen met de kinderen en leerkrachten van de Vrije School, die niet van plan zijn om dit zeldzame winterse gebeuren in een klaslokaal aan zich voor te laten gaan.
 

Met op de televisie de Olympische Winterspelen erbij, mogen we over de winter van 2010 niet klagen. We hebben kunnen genieten van ijs en van sneeuw. Hoe dat in de komende jaren zal zijn wacht ik maar rustig af. Eén ding is zeker: de kans dat ik op mijn oude dag naar Leeuwarden af moet reizen om mijn kinderen aan het einde van een Elfstedentocht met bloemen te verwelkomen, acht ik nihil. Voor mij geen Sven en Sven.

woensdag 24 februari 2010

Winters: nu & toen -3




We leven maart 2010 en daarmee is de kans dat er in deze winter nog een Elfstedentocht gereden zal worden uiterst klein. De 200 km lange schaatstocht is nog nooit in de maand maart gereden. Wel kwamen de rayonhoofden een keer in maart bijeen om de mogelijkheid van een tocht te overwegen. Dat was in de winter van 1955. Met een 35ste plaats op de rangorde 'koudste winters gemeten sinds 1901' geen bijzondere winter.
Toch zijn er een paar opmerkelijke feiten. Zo staat januari (1955) met 25 vorstdagen in de top tien van januari-maanden met de meeste vorstdagen. Werd op 1 maart in Groningen een serie van 18 ijsdagen afgesloten, die op op 12 februari was ingezet en waarmee een koude periode aanbrak die tot 22 maart zou duren. Daarnaast kende deze winter ook veel sneeuw. De Bilt telde alleen in februari al 18 dagen, waarvan 13 op een rij.
Deze kennis samen met de geschatte leeftijd van mijn jongste broer – bijna twee jaar – veronderstel ik dat het februari 1955 geweest moet zijn, dat wij deze sneeuwpop maakten. Een reden voor de buurvrouw om ons samen met moeder voor haar lens te nemen. Het moet ook de winter van 1955 geweest zijn dat wij nog heel lang de weg van en naar school al glijdend over het ijs aflegden. Zo herinner ik me nog goed dat ik op 10 maart (de verjaardag van mijn vriendinnetje) plots met één been tot aan mijn lies toe, door het ijs heen zakte.
Het besluit van de rayonhoofden om af te zien van een Elfstedentocht berust dus op goede gronden. Jammer want was het wel gelukt, dan zou het een evenaren geweest zijn van de winters '40,'41 en '42; drie winters aaneen met een Elfstedentocht.

Tijdens mijn leven volgde ik gedurende een jaar een cursus grafische technieken en in die tijd maakte ik een ets naar een oud fotootje van mijn geboortehuis. Jammer genoeg geen winters tafereel maar er is genoeg over te vertellen.
Het is zomer 1936 als mijn ouders met hun eerstgeboren zoon hier gaan wonen. Een vrijstaand (poppen) huis met flinke lap grond rondom. Vergeleken met het andere huis ligt het aan de zelfde vaart, maar wel helemaal aan de andere kant van het dorp. Mijn ouders blijven hier tot de zomer van 1947 wonen. Overleven hier de oorlog met een huis vol kleine kinderen en winters die zeer koud en streng zijn, zoals de winters van '39, '40, '42 en '47. Deze laatste winter was zo koud, dat mijn vader met de theemuts op zijn kale hoofd het echtelijk bed in stapte en mijn moeder bijna in een lachstuip bleef.
Achter het rechter raam in het huis bevindt zich een kleine woonkamer. De aanbouw links is de slaapkamer van mijn ouders. Daar gebeurde het; hadden ze elkaar lief. Gaf mijn moeder leven aan zes kinderen. Een beetje rekenen en de overlevering van het verhaal dat mijn moeder haar dochters altijd een paar weken over tijd droeg brengt mij naar de avond van dinsdag 31 december 1940. De noord-oosten wind jaagt natte sneeuw over het landschap en tegen het huis. Drie kinderen van vijf, drie en twee jaar oud slapen in hun bedjes op de zolder boven de woonkamer. Een baby van negen maanden brabbelt wat in zijn ledikantje naast het ouderlijk bed.
In de keurig opgeruimde woonkamer drinken mijn ouders koffie, eten van de zelfgebakken oliebollen terwijl de kachel leeg brandt. Moeder neemt een glaasje bessenjenever, vader rolt nog een sjaggie, de temperatuur daalt. Het zal die nacht -8 graden Celsius gaan vriezen. Tja en wat doe je dan? Dat heeft niets van doen met het Rijke Roomsche Leven en meneer pastoor is ook niet nodig.
In die koude winternacht pakte ik mijn kans en begon mijn leven als de nieuwjaarskus van mijn vader voor mijn moeder.

vervolg Winters: nu & toen (slot)

donderdag 4 februari 2010

Columns Jip



Ik heb toestemming van Baasje om een column op haar blog te plaatsen. Punt een omdat hij past in haar winter vertellingen en punt twee om iedereen er op te wijzen, dat veel van mijn columns - geschreven voor de wijkkrant 'Voordorp Vooruit' - te vinden zijn op haar blog; rechts onder het kopje Columns Jip. Dat wilde ik even kwijt en nu hier mijn laatste column: Jip ontmoet een sneeuwpop.


Ik kan jullie vertellen dat het met baasje weer helemaal top is. Uiteindelijk heeft ze helemaal geen lichttherapie nodig gehad. Geen ontbijt zittend voor een lamp met blauw licht. Gewoon 's morgens de gordijnen open trekken en het licht valt als een waterval naar binnen. Tjonge dit heb ik in mijn zesjarige bestaan niet eerder meegemaakt. Ik keek uit het raam en dacht dat heel Voordorp was ingepakt met witte watten. Dat Cristo een nieuw project gestart was. U weet wel, die kunstenmaker die hele gebouwen en landschappen heeft ingepakt. Onder andere de Rijksdag in Berlijn en een stuk van het Central Park in New York. Hij wilde dat de mensen er vreemd van zouden opkijken: met andere ogen hun omgeving zien. Nou dat is wat mij betreft helemaal gelukt Ik wist echt niet wat ik zag: ik kende mijn hele buurt niet meer terug. Op Ons Buiten zwaaide de Sneeuwkoningin uit het sprookje van Andersen de scepter. De tuinders waren gevlucht. Ik zag alleen gebogen bomen, ijzige planten en bevroren bloemen. Het was er zo stil dat ik de sneeuwvlokken, die naar beneden dwarrelden, kon horen vallen.

In de straten verschenen heel vreemde wezens. Achter onze flat bijvoorbeeld stond er een midden op de stoep. Ik schrok geweldig en blafte hard, maar baasje zei dat ik niet bang hoefde te zijn, dat het een sneeuwpop was. Ze nam me mee naar de heuvel en daar rolde een klein jongetje samen met zijn papa een witte bal door de sneeuw. En die bal werd steeds maar dikker. Gewoon een toverbal. Drie van die toverballen op elkaar en je hebt een sneeuwpop. Baasje heeft al veel winters meegemaakt en weet er alles van. Wil je hem helemaal afmaken dan moet je hem ogen geven van eierkolen, een winterpeen is zijn neus en zijn mond maak je van takjes of kleine kooltjes. De pop mag het niet koud krijgen en dus moet je hem je eigen sjaal om zijn nek binden. Met de bezem gaat hij 's nachts, als we slapen, de sneeuw van de stoep afvegen. Sneeuwpoppen zijn al heel oud. Januari 1511, Karel V was net tien jaar, viel er in de hofstad Brussel een enorme hoeveelheid sneeuw. De winter was een slechte tijd voor al de arme mensen en uit protest hebben ze op alle pleintjes en hoeken van straten sneeuwpoppen gemaakt. De stad stond helemaal vol.
Vanwege de opwarming van de aarde was baasje even bang, dat ze nooit meer sneeuw zou zien. Heel veel mensen zijn boos over die bangmakerij en bouwen nu als protest over de hele wereld sneeuwpoppen.Kijk zelf maar op het internet. Heel veel sneeuwpoppen met bordjes om hun nek met daarop de tekst: Al Gore, we are coming! Ze willen zich niet laten inpakken en arm worden voor iets waar ze niets aan kunnen doen!
Woef! Jip