zaterdag 9 juni 2012

Vogels Vliegen


Mijn voetstappen klinken hol op het lege perron. Het fluitsignaal snerpt in mijn oren. Met een laatste krachtinspanning en een extra grote sprong bereik ik nog net het balkon. De trein trekt al op als ik hijgend neerval op de rode kunstleren bank. Mijn mond en keel zijn droog als perkament en aan de pijn in mijn borst te voelen, kunnen mijn longen ieder moment scheuren. Jezus nog aan toe is dat rennen. Gelukkig het bonzen van mijn hart zakt snel af. Amusant te bedenken dat, dank zij de verplichte fitness uren waar ik zo’n hekel aan heb, mijn conditie kennelijk top is. 

Pas nu heb ik oog voor het meisje dat tegenover me op de bank zit. Het is een jong meisje met een nog kinderlijk rond gezicht en donker krullend haar tot op de schouder.
‘Soms komt het goed uit, als een trein vertraging heeft,’ probeer ik een gesprekje. Ze kijkt me vluchtig aan met grote amberkleurige ogen. Het is de fluwelen blik van een jong hert dat zich in het schemerlicht behoedzaam op het terrein van de inrichting waagt. Ik heb ze vaak genoeg gezien.
‘Maar het was wel even rennen.’

Ze geeft geen antwoord. Ik trek mijn lange overjas uit en leg mijn sporttas, met de weinig middelen die ik mee heb kunnen nemen in het bagagerek naast haar kleine rugzak. Het meisje heeft ook niet veel bagage. Misschien net als ik weggelopen? Ik nestel me in het hoekje van de bank en strek mijn benen. 
‘Heerlijk vakantietijd. Twee plaatsen voor mij alleen en dat tijdens de spits.’
Hertje perst haar volle lippen stijf op elkaar en keert haar gezicht naar het raam. Haar hoofd gevangen in haar handen, haar ellebogen op het paneel bedoeld voor plastic bekertjes, kijkt ze dwangmatig naar buiten. Neen, ze wil niet met me praten.
De trein is op volle snelheid en Utrecht ligt al lang achter ons. Zachtgroene weilanden afgewisseld door industrieterreinen bezaaid met ijzeren loodsen flitsen voorbij. Hertje kijkt niet op. Ze wil mijn bleekblauwe ogen niet ontmoeten. Het geeft niet hertje, ik ben eraan gewend.

Zover mijn herinneringen gaan wenden mensen hun hoofd af. Zelfs mijn moeder vond het moeilijk om mijn aanblik te verdragen en draaide, de weinige keren dat ze mij moest helpen omdat het kindermeisje vrijaf had, haar gezicht van mij weg.
‘Hoe komen wij in vredesnaam aan zo’n vreemd kind met van die kleurloze ogen, die ook nog eens veel te ver naar links en rechts in zijn gezicht staan geplant,’ merkte ze soms op naar mijn vader. 
In spanning wachtte ik dan zijn antwoord af. Iedere keer weer hoopte ik dat hij zou zeggen: ‘Sofia, ik begrijp niet waar je het over hebt. Andries is misschien niet uitzonderlijk mooi, maar verder een gewoon en bijzonder aardig kind.’ Maar het antwoord van mijn vader luidde onveranderlijk: ‘ja, onze zoon is een Vogel, maar hij lijkt meer op een vis.’ Gevolgd door de korte harde lach, waarmee hij zijn eigen grappigheid koesterde.

Hertjes neusvleugels vlinderen snel op en neer. Ze weet dat ik naar haar kijk. Ze voelt hoe mijn blikken haar kleine gestalte aftasten. Hoe vragen zich opkroppen in mijn mond. Even haar hoofd in mijn richting en mijn lippen zullen zich openen. Zullen geluid geven aan vragen die ze niet wil horen, die ze niet wil beantwoorden. Ze wil niet weten hoe oud ze is. Waarom ze alleen op reis is gegaan en waar ze naar toe gaat?
Hoeveel jaar was ik, toen ik voor het eerst wegliep? De deur dicht trok van het huis waar ik mijn kinderjaren doorbracht. Waar ik rond dwaalde in lange donkere gangen en de deuren telde van de vele kamers waarin ik tevergeefs naar broertjes of andere speelkameraadjes zocht.
Was ik nog dertien of al veertien jaar? Het was een mistige dag ergens in november. Mijn ouders zaten aan een diner met een diplomatenechtpaar uit Japan. Mijn moeder had het personeel opdracht gegeven om mij, mijn eten vooraf op mijn kamer te serveren. Ik doolde verveeld door het huis. In de gang naast de eetzaal klonk het geluid van stemmen, van bestek en het verwisselen van serviesgoed tegen de achtergrond van lichte kamermuziek. In de hal ontdekte ik het geschenk van onze Japanse gasten; een papagaai opgesloten in een vergulde kooi. De Ara liep druk heen en weer op zijn stok en krijste naar wat ik vermoedde Japanse klanken moesten zijn. Dichter bij zijn kooi gekomen maakte het dier met zijn kopje diepe buigingen voor mij en keek met zijn zwartglanzende pupillen diep in mijn ziel. Een intense treurigheid maakte zich van mij meester. Alsof ik in een spiegel keek. Ik rende naar mijn kamer, stopte wat spullen in mijn rugzak en trok een warme jas aan. Terug in de hal haalde ik de Ara uit zijn kooi en stopte hem tussen mijn jas. Zo slopen we samen het huis uit.

Hertje kijkt nog steeds naar buiten. Haar vingers glijden door het haar terwijl ze zoekt in het raam dat haar spiegelbeeld zacht weerkaatst. We razen de Bijlmerbajes voorbij. Amsterdam is mijn doel. In de smeltkroes van illegalen en toeristen zal het zorgteam Andries Vogel niet kunnen vinden. Een vogel hoort niet thuis in een kooi. Een vogel moet vliegen en ’s nachts uitrusten op een dikke tak. In het Vondelpark staan grote bomen. Het is nu zomer en de nachten warm. Wie weet zal ik in de schemering het hertje zien. Waakzaam met haar rugzakje om zal ze zoeken naar een plekje om te rusten. Misschien zelfs zal ze onder mijn boom komen zitten en kan ik over haar waken als ze slaapt. Er zijn veel slechte mensen in Amsterdam, maar ik zal mijn vleugels uitspreiden en haar verbergen voor het kwade oog.

‘Over enkele minuten zullen we het station van Amsterdam Centraal binnenrijden,’ klinkt de stem van de conducteur door de Wagon.


                                                   

dinsdag 22 mei 2012

Liever naar Parijs


'Willem,' zegt mijn vrouw: ' als je er niets aan doet vertrek ik.' Het matras kreunt. Het dekbed bolt op. Als een fregatschip draait ze haar achtersteven naar me toe en valt prompt in slaap. Haar rug een vierkant van onverzettelijkheid. 

Ik trek mijn kamerjas aan en verdwijn in een kamer hiernaast waar mijn computer staat. Laatst ontdekte ik bij toeval op het internet een virtuele wachtkamer voor mensen met klachten als die van mij.
 Liesbeth is een lieve meid, maar sinds ze in de overgang is weet ik niet goed raad met haar. Ze wil van alles ondernemen. Op vakantie! Liefst een survivaltocht. Het nieuwste: zonder geld, onderdak of eten in Parijs rondzwerven, alleen om te kunnen voelen hoe het is om dakloos en berooid te zijn.

'In godsnaam Liesbeth waarom? We hebben een prachtig huis. Ik verdien genoeg geld. Waarom wil je dat we als clochards onder een brug langs de Seine gaan slapen?'
 'Ik wil voelen dat ik leef!' Zegt ze.

Dat woord 'voelen' komt steeds in haar vocabulaire terug en het blijft ook niet bij een survivaltocht alleen. Ik heb altijd gedacht dat als vrouwen in de overgang komen ze minder behoefte hebben aan dat... je weet wel. Helemaal fout! Vrouwen in de overgang zijn vulkanen die op punt van uitbarsten staan. Bereid om in een allerlaatste eruptie je met een stroom hete lava mee te sleuren.

Nu wil het toeval, dat die behoefte bij mij flink aan het afnemen is. Natuurlijk, Liesbeth lijkt na drie kinderen en dertig jaar verder, ook in niets meer op het verlegen meisje, waar ik – smoorverliefd – het overal mee wilde doen. Het liefst buiten onder de blote hemel; op het balkon van haar flatje, in een duinpan, open plek in het bos, achter de kampeertent, in de stortregen na een zware onweersbui. Nog net niet tussen de spoorrails, maar wel in de berm ernaast.
 
Liesbeth verlangt, nu de kinderen de deur uit zijn, naar dat leven terug. Maar wat ik zeg, bij mij is de heftigheid er een beetje van af. Het wil niet meer zo lukken. Beetje slappe hap, als je begrijpt wat ik bedoel. Een internet dokter weet veel en is minder privacy gevoelig. Ik moet er niet aan denken dat ik een collega tegenkom. Nu Google ik alleen het woord 'impotentie' en hup, zit ik in de wachtkamer op het erectieplein te chatten met lotgenoten. 
 Opvallend veel jonge mannen trouwens, die me suf lullen over te vroeg klaarkomen, 'm niet rechtop kunnen houden en over de nare bijwerkingen van de pillen die ze slikken. 

De internet dokter heeft de wachtkamer wat opgevrolijkt. In een vitrine ligt een pomp; het hulpje in bed uit eerdere tijden. Aan de wanden, in aquarel en achter glas, afbeeldingen van wat hij allemaal met je snikkel kan doen. Het inbrengen van één-, twee-, ja zelfs driedelige implantaten met een resultaat wat bij mij de gedachte oproept: staan blijven kreng!

Ik ga denk toch liever naar Parijs.

maandag 7 mei 2012

Nooit meer Oranje Boven

                                                               Wachten op Godot

Najaar 2011. Ruim een jaar al duurt de restauratie van mijn tuinhuis. Rekenend op een mooie nazomer sloop ik de buiten zijwand van mijn tuinhuis. Trek de een na de andere rotte plank weg en stuit op een hoeveelheid werk waar het arbeidsbureau jaloers op is. Amper een week verder draait de wind naar het westen en teistert mijn tuinhuis met flinke buien. Een in allerijl aangeschaft oranje gekleurd zeil voorkomt nog net op tijd dat mijn idylle voor de zoveelste keer onder water komt te staan.

Weer of geen weer met de winter in aantocht heb ik weinig keus. Dus werk ik onverdroten voort onder het zeil, waar alles wat ik voor ogen krijg en in handen neem verandert in gekmakend oranje. Ik vernieuw grote delen van de oude middenhut en behandel onvervangbare delen als stutbalken met anti-rot. De kwestie RAAM schuif ik voor me uit: gewoon niet aan denken.

De stapels meterslange planken voor de buitenkant sleep ik tijdig naar de loods op het terrein: een enorme schuur, weliswaar droog maar koud en tochtig. Twee dikke truien overelkaar, gewapend met alles wat ik nodig heb om nieuw hout tegen de weergoden te beschermen schuur en kwast ik er dagenlang op los.

Met eelt op mijn vingers en euforisch van de peutdampen waan ik me Picasso in zijn blauwe periode. Heeft ook hij niet geschilderd en zelfs gewoond in een oud vervallen gebouw, de 'Bateau Lovair' ergens in Monmartre? Schilderde met koude knuisten arme mensen zoals de Strijkende Vrouw! Nee ik mag niet klagen, ook al werk ik met uitsluitend groen, mijn tuinhuis zal straks als het klaar is een schilderachtig kunststuk zijn!

En dan als ik de kwestie RAAM niet meer kan ontlopen dient zich de reddende engel aan. Stanley vindt het zielig dat een oudere vrouw, zoals ik, alleen haar tuinhuis restaureert. Pet achterste voren op zijn kroeskop, armen als van een worstelaar en zwaaiend met een meetlat stapt hij mijn tuin binnen. Hij bekijkt de zaak: 'U wilt graag een raam dat open kan?'
Dat is helemaal geen probleem. Als ik wil, zorgt Stan ervoor dat al mijn ramen open kunnen. Ik zeg hem dat ik tevreden ben met één raam dat open kan. Voortvarend breekt hij met een koevoet het oude raam eruit. Ik kijk benauwd naar de krakend balken. En passant verwijdert hij ook een paar hooggeplaatste planken waarvan ik dacht dat ik die maar beter kon laten zitten. 


 

De volgende dagen verschijnt Stan met onder zijn armen dikke balken hout, grote schroeven en dies meer. Op onverwachte momenten staat hij plotseling voor mijn neus. Bij voorkeur eind van de middag als de tijd voor een aperitief aanbreekt. Stan houdt van vrijheid en daar passen bindende afspraken niet in. Resultaat vier kinderen bij twee ex-vrouwen, maar dat is beter zo! Geeft alleen maar herrie.

Al met al ben ik niet ontevreden want na een dag of tien zit er in mijn zijwand een stevig kozijn. Het wachten is op een passend raam dat ook nog open kan. Stan zal het zelf maken, het kan even duren maar het komt goed, verzekert hij mij en timmert intussen een paar grote platen triplex op de plaats waar het raam moet komen. 'Er wordt zo veel ingebroken, vandaag de dag, vooral op een volkstuinencomplex.' Stan weet er alles van.

Daarna wordt het stil. Ik mis de praatjes over zijn liefde voor oudere vrouwen niet. Kijk bedenkelijk naar het dichtgetimmerde raam. Zet de stenenopbouwrand in een waterdichte mortel 
en begin met de opbouw van de buitenwand.

























Vervloek Stan 
terwijl ik worstel met de vier meter lange planken hoog boven mijn hoofd om ze op hun plaats te krijgen. Ben trots op mijn mooie wandje als ik hem nog één keer in de beits heb gezet. 



   

November is al een paar weken oud als ik Stan bel. Ik wil weten waar het raam blijft, maar krijg alleen de juffrouw die meldt dat het nummer momenteel niet bereikbaar is. Alsof ik dat zelf niet bedenken kan! Ik stuur smsjes. Geen reactie. Nu vervloek ik mezelf: zo oud en nog trap ik er in! Nooit meer wachten heb ik mezelf jaren geleden gezworen, en zeker niet op een man. In het wachten op - binnen een jarenlange en ongelukkige liefde – ben ik er bijna aan kapot gegaan.

De winter duurt lang. Samen met Jip breng ik iedere dag een bezoek aan mijn tuin. Ga even mijn huisje binnen dat vol met werktuig ligt. Ongezellig ook door het dichtgetimmerde raam en het oranje licht afkomstig van het zeil dat tegen de ramen klappert. Het is wachten op Godot! Door de strenge vorst zet het ijs in de regenton dusdanig uit, dat de regenpijp dwars door de dakgoot heen wordt gedrukt en als een kachelpijp boven het dak uitsteekt. 


 

De nieuwe lente brengt een nieuw geluid. Er hangt een engel klapwiekend boven mijn tuinhuis. Daalt neer op het dak. Het is een aartsengel en deze keer heet hij Maarten. Hij gaat nog even op wintersport maar daarna is hij er klaar voor.







Eenmaal aan het werk is het in een paar dagen gepiept. Zit er een prachtig op maat gemaakt raam in de zijwand van mijn tuinhuis. Een raam dat open kan!





Even een dak vernieuwen met goten en al eraan? Maarten draait er zijn handen niet voor om! 








En voilá! Mag ik u dan eindelijk meenemen naar mijn paradijs en het tuinhuis tonen? Schilderachtig toch?




Ja natuurlijk, er blijven nog wel een paar klusjes over, maar daar hoort u mij niet meer over zeuren. Zo blij als ik ben, dat ik van dat zeil met dat deprimerende oranje licht af ben. Jammer voor de Koningin, maar voor mij nooit meer Oranje Boven!
 

woensdag 25 april 2012

Een Verre en Hete Zomer



'Bert dood, mama?,' stamelt Aram. Hij zit in zijn stoel tegenover mij aan tafel en terwijl hij verwonderd naar een traan kijkt, die van mijn wimper druppelt, strekt hij een handje naar me uit. 
Ik vraag me af hoe hij dat nu kan weten? Aram is nog veel te klein. Een kind van anderhalf weet niets van de dood en ik heb mijn mond niet open gedaan. Alleen in stomheid gelezen. Het staat in grote koppen gedrukt op de voorpagina van de krant die voor mij op tafel ligt: Raadsel­achtige dood van twee Neder­landers op vakantie in Griekenland.

Het is gezellig rommelig in het kleine rijtjeshuis. Bert heeft kaarsen aangestoken en twee gla­zen rode wijn inge­schon­ken. Aan de wand hangt, ach­ter ­glas ingelijst, een grote foto: een groep badende jonge kna­pen in de sfeer van de jaren twintig. In het keukentje met de steen­tjes gootsteen hebben we samen de maaltijd bereid: aardappelen, bloemkool, karbonade en gemengde sla. Bert lust alles, behalve spinazie uit blik daar krijgt hij uitslag van. 
We maken grapjes over lastige pati­ënten in zijn huisartsen­prak­tijk, die maar niet mondig en geëmancipeerd willen zijn. Wisselen van gedachten over de laatste ontwik­kelin­gen in de ge­zond­heidszorg en de opnieuw aan­gekon­digde bezui­ni­gen. 
Een paar dagen ervoor had ik hem gebeld: 'Heb je deze week nog tijd ik wil met je praten?' Ik hoorde hem bladeren in zijn agenda barstensvol met afspraken. 'Kom donderdagavond bij me eten!' Nodigde hij mij uit. 

Ik veeg mijn mond af aan het papieren servet en neem een grote slok wijn: 'Ik wil een kind. Ik wil een bewust ongehuwde moeder wor­den!' 
Bert verblikt of verbloost niet. Over zijn gezicht trekt een brede lach.  'Wat leuk dat je aan die mogelijk­heid denkt!  
Daarna vertel ik hem mijn angsten; mijn twijfels over de juistheid van de keuze en de eventuele gevolgen. 
'Waar precies ben je bang voor?' Vraagt hij: 'Wat  houdt je tegen?' 
Ik vertel Bert, dat ik bang ben, dat er weer een oorlog uit zal breken en ik met mijn kind als eerste op een trein gezet word om vergast te worden. Dat mijn vrienden me af zullen wijzen, dat mijn familie me zal verstoten. Dat ze mijn keuze niet zullen accepteren en niets meer met mij en het kind te maken willen hebben. En het allerergste; dat ik niet genoeg van het kind zal houden, dat ik het in de steek zal laten?
'Doe het maar,' moedigt Bert aan terwijl hij een stukje bloemkool aan zijn vork prikt. 'Je zult tot een minder­heids­groep behoren. Een éénou­dergezin vormen. Maar je staat niet alleen. 

Ik neem nog een flinke teug wijn en kijk vanonder mijn neergeslagen wimpers met spanning naar de uitdrukking op zijn gezicht: 'Zou jij zelf kinderen willen hebben? Het hoge woord is eruit: Zou jij als vriend, de vader van mijn kind willen wor­den?'
Abrupt legt hij zijn vork en mes naast zijn bord neer en staart stil voor zich uit, dan antwoordt hij, bijna verlegen:Nee, ik wil geen vader worden. Een kind past niet bin­nen het leven dat ik leid.' 
 Hij schept nog een keer op en vertelt over zijn coming out, zijn afgebroken pries­ter­stu­die en zijn actieve homoleven nu. Het was een hele schok voor de vader die zijn enige zoon graag in de door hem opge­bouwde zaak had gezien. Voor de moe­der die hem een ere plaats in de kerk had toegedacht en voor de zussen die tever­geefs op een schoon­zusje, op nicht­jes en neef­jes hadden gewacht. 
 Bert geeft me het telefoonnummer van een kliniek in Zwolle: 'Maak er snel werk van.' Van een be­vriende collega die er werkt, weet hij dat ze er sinds kort ook alleen­staande vrouwen insemi­ne­ren.

Wat zich precies heeft afgespeeld op die camping in Grie­ken­land zal altijd een geheim blijven. Duidelijk is dat Bert dood is, omgekomen bij een crime passionel. Ze is er weer; de pijn waarvan ik dacht dat ik die nooit meer hoefde te voelen sinds het ongeluk met mijn broer Jaap. De schok. De verwarring. De leegte ook. De oude BMW die niet meer door de wijk racet. Niet meer voor de flat stopt. Geen gezamenlijke lunches meer. Geen ironische grappen. Weg vertrouwdheid. Alles verdwenen in één messteek Er zijn alleen herinneringen. Zijn zacht gezicht. De aarze­lende jon­gens­glim­lach. Zijn warmte bij het gedag kussen. Hij was zo blij, zo enthousiast geweest toen ik hem van de zwanger­schap vertelde. Tegen mijn ongeboren kind heb ik ge­zegd: 'Jij wordt niet zonder, maar met een heleboel vaders geboren.

Ik til Aram uit zijn stoel. Klem hem in mijn armen. Kus hem op zijn hoofd. Kus hem in zijn hals. Verberg mijn gezicht in zijn haar. 
's Avonds schrijf ik in mijn dagboek aan hem: 
 Lieve Aram, 
 Deze zomer gaat de ge­schie­denis in als één van de warmste zomers sinds drie­honderd jaar. De warmte is veel mensen naar het hoofd geste­gen. Mensen veroor­zaken bosbranden en steken scho­len in brand. Afgelopen week heeft een zestienjarige skinhead een jongen van vijftien jaar (Kerwin Duinmeijer) doodgesto­ken alleen omdat hij een gekleurde huid had. En Bert, een heel goede vriend van jou en mij, is door een vriend ver­moord.

De volgende dag bezorgt de post een vakantie­kaart. Het is een af­beelding van, 'Maria van Altijdduren­de Bijstand'. Een icoon uit de veer­tien­de eeuw, bewaard in een museum in Athene. Ik draai hem om en lees: 'Veel groe­ten en tot ziens.' Bert

woensdag 4 april 2012

HET BEZOEK slot



Buiten begin het te dagen. Het tabletje doet zijn werk en de oude vrouw haalt iets ruimer adem; tevreden ligt ze in het bed, haar ogen gesloten. Ze voelt geen druk van het half­donzen dekbed. Mieke heeft het onlangs ge­kocht. Dekens zijn te zwaar, ze zakken weg naar de grond en zij, Mijntje is on­machtig om ze op te pakken.

Ze droomt weg, beklimt de steile trap naar de zolder van het oude huis en haalt de dekens van de bedden waarin haar kinderen twee aan twee slapen. Met haar armen vol gaat ze naar bene­den; haar voeten kennen iedere tree. Door de openstaande buitendeur stroomt de voor­jaarslucht fris naar binnen. Ieder jaar hangt ze alle dekens over de was­lijnen te luch­ten. Een kleu­rig schouw­spel; twee lange rijen dekens waar haar kinderen opgewonden verstopper­tje in spelen.
 

'Lekker licht hè moeder,' heeft Mieke tegen haar ge­zegd.
 'Ja, hoor lekker licht,' mompelt de oude vrouw. Ze voelt geen gewicht en ook geen pijn in haar kapotte arm.
Ze opent haar ogen en kijkt verliefd naar Aart in haar stoel. Ze heeft hem zo gemist die lange laatste jaren. Het was in de crisistijd dat ze met hem ging verke­ren. Op de kermis leerde ze hem kennen. 's Avonds na het fees­ten had hij haar naar huis gebracht.
 Aart met zijn olijk bruine ogen en brede lach. Smoor­ver­liefd was ze geweest. Daar had de pastoor niets aan kunnen veran­de­ren: 'Maak het uit Mijntje,' had hij tegen haar gezegd. 'Die jongen heeft geen werk; van een mooi bord kun je niet eten.'

'Aart!' zegt ze moeilijk; haar droge lip­pen plakken aan elkaar. 'Wat is 't Mijntje?'
 'Ik heb er geen spijt van dat ik met jou ben gegaan.'
 'Ik ook niet Mijntje, je bent een goed wijf voor mij geweest. Altijd het eerste uit bed. In de winter de kachel opporren. Theezetten. En als ik vroeg in de ochtend, voor mijn werk een snee­tje brood at, zat jij al met je voeten op de stoof, je nachtpon open geknoopt een kleintje te voeden. Daar heb ik altijd graag naar gekeken, weet je: Jij met zo'n hum­meltje op schoot. Het was nog stil in huis, de rest van de kinderen lag boven te slapen. Je hoorde alleen het klok­kende geluid van het kindje dat zijn melk nam.'

Ze voelt weer hoe het kind zuigt aan haar borst; een aange­naam trekken dat eindigt ergens diep onder in haar buik, en de kleine vingertjes die kriebelen op haar vel. De herin­ne­ring doet haar glimlachen.

'Dan heb je lang kunnen genieten, Aart! We hebben samen veel kinde­ren gekregen.'
 'Dat moest van Meneer pas­toor.' Zijn stem klinkt veron­gelijkt.
 'Ja zeker, Aart, dat maak jij jezelf wijs. Maar Aart, je was er zelf toch ook niet vies van?'
 'Nee Mijntje, je bent een lekkere meid met een hete kont en ik heb graag met je gevrijd.'
 'Gek, die je bent!' Ze lacht zodat haar droge lippen pijn doen.

Het praten vermoeit haar. Ze doet haar ogen toe en blijft stil liggen. Haar grijze krullen in een krans om haar hoofd, haar huid ziet wit als was en scherp tekenden de lijnen haar gezicht.

Ja, Aart heeft haar veel kinderen gegeven. Tien heeft ze er grootge­bracht; acht jongens en twee meis­jes. Ze heeft het graag gedaan. Vooral toen ze klein waren heeft ze veel plezier aan ze be­leefd. Uitein­delijk zijn ze alle­maal goed te­rechtgekomen. Ze kunnen goed leren; hersens hebben ze, die kinderen van haar. Iedere zondag gaf ze hen, van het weinige geld dat ze besteedde, een dub­beltje voor de bibli­otheek. Wijsneuzen zijn het gewor­den. Eigenwijs soms zelfs, die het beter willen weten dan Aart en zij. Dat ze bijna niet meer naar de kerk gaan, daar heeft ze het moeilijk mee gehad, maar dat is de nieuwe tijd, daar kan je niets tegen doen.

Mijmerend trekt de oude vrouw haar ge­schiedenis, terwijl haar ogen diep en donker wegzakken in hun kassen en de druk op haar borst almaar zwaar­der wordt. Zo'n pijn heeft ze niet meer gevoeld sinds Jaap.

Het zwarte paard en de koets waarmee de tweelingen naar de kerk zijn gebracht zetten zich langzaam in beweging rich­ting ziekenhuis.
 'Eigenlijk weinig aan te zien, hè! Dat ziet er soms heel anders uit.' De stem van de broeder die de lorrie uit de koelcel rijdt klinkt ver weg.
 Ze bevindt zich samen met Aart in het halfduister van het mortuari­um. Ze houden elkaar vast. Aan hun voeten ligt, heel wit en stil hun zoon Jaap. Haarpieken plakken vochtig op zijn voorhoofd. Onhandig zijn de sporen bloed gewist. In een reflex duikt ze naar bene­den. Ze wil hem oppakken. In haar armen nemen en troosten. Hem weghalen uit die ijzige omgeving. Een hand houdt haar tegen. Ze mag hem niet aanra­ken, niet beroe­ren: 'Het lijk is in beslag genomen. Ze moeten nog obductie doen. Dat begrijpt ze toch wel? '
 Bevreemd luis­tert ze naar wat de broeder in zijn vak allemaal is tegenge­ko­men. Jaap laat ze achter. Zonder ver­zet. Ze is een verstandige vrouw.
 Aart heeft het niet kunnen verwerken; in één dag tijd was hij een oude man. 'Je kunt er beter tien krijgen dan één ver­lie­zen,' hebben ze tegen elkaar gezegd.

 'Aart!' Ze houdt haar ogen gesloten.
 'Ja, Mijntje?'
 'We hebben wel hard moeten werken en ons deel gehad.'
 'Ja, het was een geluk dat jij zulke flinke handen aan je lijf had en altijd zo'n opgeruimd wijf, anders had het er slecht met ons voorgestaan.'
 'Jij hebt je ook ziek gewerkt in het vuil van de fa­briek Aart, en moet je mij zien; ik kan niets meer. Mijn arm is gebroken en alle kracht is weg uit mijn handen.'
 'Mijntje, meid kom, ik neem je in mijn armen. We gaan.'

Verbaasd staart Mijntje in het wit van het plafond.
Buiten is de nieuwe dag begonnen.