donderdag 19 september 2013

Belichtingstijd: Samen mens zijn


Na het behalen van het VWO diploma in 1973 scheidden onze wegen. Julia woonde weer in Amsterdam. Ze studeerde sinologie in Leiden met als hoofdvak Chinees en als bijvak Japans. Tegelijkertijd deed ze verwoede pogingen om haar huis op orde te krijgen. Ze klaagde onophoudelijk over de onrust die ze ondervond van de nog niet uitgepakte dozen en koffers die overal rondslingerden en waardoor het leek alsof het oorlog was. Naast de psychoanalyse en parttime werken als fysiotherapeut bleek de studie sinologie voor Julia te zwaar. In het voorjaar van 1975 besloot ze het bijvak Japans er voorlopig aan te geven. Uiteindelijk maakte ze niet een van de studies af en de gewoonte om na een verhuizing een deel van haar verleden in koffers verpakt te laten, heeft ze de rest van haar leven behouden.
Ik was na mijn examen aan de universiteit van Utrecht psychologie gaan studeren. Mensen met al hun gedragingen en de erachter liggende motieven boeiden me sinds mijn kinderjaren. Maar misschien had de docent, die het introductieblok sociale psychologie inleidde wel gelijk toen hij tijdens een van de eerste colleges de idee opperde dat psychologiestudenten eerst en vooral in zichzelf geïnteresseerd waren. Zeker is dat de onverwachte dood van Jaap een paar jaar eerder, mij opnieuw had doordrongen van het besef dat mijn leven nietig en kwetsbaar was. Dat het iedere dag onaangekondigd verpletterd kon worden zoals een vlieg doodgeslagen tussen de handen van mijn moeder. Kort daarvoor had ik hem nog vrolijk zoemend door de kamer zien vliegen op zoek naar een suikerkristalletje dat wij met het eten van onze boterhammen hadden gemorst. Een moment later lag hij, na de klap, brommend op zijn rug rond te tollen en veegde moeder hem op met stoffer en blik.
    Mijn verwarring over de zin van het bestaan, over wat het leven – mijn leven – voorstelde en wat ik daarmee aanmoest, waren de belangrijkste pijlers waarop mijn besluit om te gaan studeren was gevestigd. Het liefst was ik filosofie gaan studeren met mijn neus in boeken van denkers als Kierkegaard, Levinas en Sartre. Ik koos voor psychologie met als bijvak filosofie. Als de tijd me gegeven werd, zo dacht ik, zou een psycholoog zijn nut voor andere mensen kunnen hebben. Ik zou mijn ouders uit kunnen leggen, waarom ik na het behalen van diverse diploma’s in de verpleegkunde - waarmee ik volgens mijn moeder zoveel goeds kon doen voor andere mensen - een studiebeurs van de Overheid moest lenen om te kunnen studeren.
De keuze van Julia om in psychotherapie te gaan was in die tijd een opmerkelijke stap. Kunstenaars waaronder Julia’s moeder waren ervan overtuigd dat een analyse hen van hun drive, hun motivatie om te creëren zou beroven. 


De sfeer aan de faculteit waar ik studeerde was ook anti en wel in de breedste betekenis van het woord. Psychosociaal lijden en onaangepast gedrag zag men op de eerste plaats als een gezonde reactie van het individu op ongezonde maatschappelijke machtsverhoudingen. Kiezen voor therapeutische interventie betekende dat je in je werk als psycholoog mensen min of meer zou dwingen om zich aan te passen aan een ziekmakend maatschappelijke bestel.
    Onderling en met de docenten voerden we heftige discussies over de ethiek van dit vraagstuk. We waren het er over eens dat het aangrijpingspunt lag bij verdorven systemen en structuren, maar mocht je de enkeling, een mens die psychisch leed en niet in staat was om het systeem te keren zonder hulp onder laten gaan? Het was voor ons een enorm dilemma.
We leefden in een antitijd: antipolitiek, anticultuur, antiuniversiteit antigeneeskunde en van antipsychiatrie  met voormannen als Cooper,  Laing,  Foudraine en Carel Muller.
    Het was nog geen jaar geleden dat een lange stoet politiebusjes het terrein van de psychiatrische inrichting Dennendal opreed en op ruwe wijze een einde aan de droom van Nieuw Dennendal maakte. Gewoon:samen mens zijn! Was het antwoord van links georiënteerde jongeren op de medicalisering van de samenleving. Hun ideaal: zwakzinnigen uit het isolement van de opéénhoping  bevrijden, brachten ze in praktijk door samen met hen in een paviljoen op het terrein van Dennendal te gaan wonen. Ouderen, zieken en zwakzinnigen zouden weer met en tussen gezonde mensen samen moeten leven. Het fenomeen ging de wereld in als de verdunningstheorie. Het bestuur van de inrichting, departementen, rechtse politieke partijen, journalisten van rechtse dagbladen, maar ook veel ouders van pupillen raakten van deze nieuwe aanpak danig in paniek. Voor - en tegenstanders voerden felle debatten tot in de tweede kamer aan toe en ten slotte besloot de toenmalige regering Den Uyl om in te grijpen.
 Goof van de Wijngaart
Medewerkers van de vakgroep Ontwikkelingspsychologie, waar ik later zou afstuderen, waren verbonden geweest met het experiment, dat zich onder  leiding van Carel Muller in de bossen van Den Dolder had afgespeeld. Ze ontwikkelden een uiterst links studieprogramma en doceerden wat ze een kritische psychologie noemden. Uitgangspunt was hier net zoals in de vrouwenbeweging de eigen biografie aangevuld met theorieën van Marx, Engels en Freire. 

Bewustwording en vrijmaking werden gezien als processen noodzakelijk om bestaande verhoudingen binnen de bezittende - en de niet-bezittende klasse te veranderen. De samenleving, die dan zou ontstaan, zou in beginsel meer gelijkheid in kansen geven aan grotere groepen mensen.  En dat op zijn beurt zou weer leiden tot meer welzijn en minder ziekte.
    Examens werden afgeschaft. Een briefje met een aantekening dat je aanwezigheid op de betreffende colleges bevestigde, was voldoende voor het behalen van de benodigde punten. Een gang van zaken die bij Piet Vroon tijdens een van zijn filosofiecolleges de legendarische uitspraak uitlokte, dat op deze manier de honden die samen met hun baasjes de colleges volgden ook psycholoog konden worden.







maandag 2 september 2013

Belichtingstijd: als zand in een hand


Blij, speels, zorgeloos dollen. Je door geen tegenslag 
te neer laten drukken, dit kinderlijke vermogen ontglipte ons als fijn zand dat tussen je vingers door glijdt. Achteraf gezien vormt de zomer van 1975 het hoogtepunt van mijn vriendschap met Julia. Op de foto’s is al te zien hoe de dan nog ondiepe lijnen ons gezicht verscherpen. De jaren daarna zullen steeds meer gekleurd worden door eindeloze discussies, die we voerden over onze ongelukkig gekozen relaties en onvervulde liefdes.

Het begin van de verwijdering tussen Julia en mij zoek ik in de lente van dat zelfde jaar. Ontevreden met zichzelf klopte Julia aan bij een centrum voor psychoanalyse. In de gesprekken met haar psychotherapeut wordt Julia zich bewust van haar angst om haar ware emoties te durven voelen. In een brief aan mij vraagt ze zich af, of ze ook in mijn aanwezigheid bang is voor haar echte gevoelens. Of het misschien zo is, dat ze zich niet over durft te geven aan het gevoel van liefde dat ik in haar opwek. Niet lichamelijk, maar gewoon houden van. Nu ik jaren later haar brieven weer herlees, dringt de betekenis pas goed tot me door: Julia hield van mij.

Hoe knullig, onhandig en onervaren laveerde ik mijn gevoelens met grote bochten om haar heen. Zweeg ik over de blijdschap die vanuit mijn tenen voorzichtig omhoog kroop en bezit van mij nam als ze in mijn nabijheid was of me alleen maar belde. Ik kon me eenvoudigweg niet voorstellen dat zo’n mooi schepsel, wat in mijn ogen alles bezat wat mij niet was geschonken, zich ook maar iets aan mij gelegen zou laten liggen.

In flarden van herinnering tilt mijn moeder me uit bed. Gehuld in een wolk van pieslucht draagt ze mij op haar arm de huiskamer binnen. Zo direct spelt ze de natte luier los. De ramen zijn zwart van het donker buiten. De kamer wordt spaarzaam verlicht door de lamp boven de tafel. Zo klein als ik ben wordt mijn blik getroffen door een puzzel in een doos. Het deksel ligt er naast. Ik zie de felgekleurde stukjes hout in de vorm van vierkanten, driehoeken en ruiten. Strak geordend liggen ze in de doos op tafel tussen de andere cadeautjes. Het is vroeg in de morgen van zes december, de dag dat Sint Nicolaas jarig is. Niet eerder heb ik zo iets moois gezien.

De indruk die de mathematische puzzel op mij maakte ben ik nooit vergeten, evenals het besef dat dit cadeau niet voor mij, maar voor een ouder broertje was bestemd. Mijn zoon heb ik voor zijn tweede verjaardag een soortgelijke puzzel gegeven. Hij heeft er niet veel meegespeeld.

‘Ze huilt alweer,’ roept een van mijn broertjes naar mijn moeder. Hij rent met een potlood in zijn hand naar de kalender en zet een streepje achter een rij andere streepjes:‘vandaag al zeven keer!’
Jaren later heb ik aan mijn moeder gevraagd, hoe het kwam dat ik als kind toch zo veel huilde:‘was ik misschien niet helemaal gelukkig?’
‘Ach,’antwoordde ze, ‘als je zoveel kinderen hebt, zit er altijd wel een huiler bij.

De blaadjes van het schriftje zijn niet groter dan een half A4. Een rugspiraal houdt alles bij elkaar. Ik wil net als Anne Frank al mijn geheimen aan een dagboek toevertrouwen. Niemand weet het. Zelfs mijn moeder niet. Ik wacht nog één dag, wil de zoete spanningsvolle belofte van het blanco schrift niet loslaten. Voorzichtig zet ik daarna de eerste woorden op het lege blad. In donkerblauwe inkt en door iedereen te lezen verschijnen mijn diepste gedachten op het witte papier.
Geschrokken zoek ik naar een plaats in huis waar geen broer of zus het kan vinden. Achtervolgd door hun hoon, hun dodelijke lach vlucht ik naar zolder, waar achter een gordijn mijn moeder de kerststal heeft opgeborgen en stop het schrift tussen de in kranten gewikkelde beelden. Het ligt er een halve dag als ik op zoek ga naar een nieuwe plek. Beelden, ook al zijn ze heilig, beschermen mijn gevoelens niet. Nergens vind ik een veilige plek. Ik heb geen eigen kamer, geen eigen bed. In ons huis is je kont niet eens van jezelf, zegt mijn moeder steevast als ik soms ruzie maak met mijn broertjes en beweer dat een stoel van mij is, omdat ik hem het eerste heb gepakt.
Mijn dagboek wordt maar drie dagen oud. De beschreven velletjes verdwijnen in heel kleine snippertjes tussen het huisvuil achter in een sloot.

Hoe had ik Julia duidelijk kunnen maken dat ik ook van haar hield? Hoe had ik haar kunnen helpen? Ik denk daar af en toe aan terug: dat ik niets gedaan heb. Dat ik niet dwars door dat pantser van haar ben heen gebroken. Mijn armen om haar heen heb geslagen en haar getroost. 
Dat ik alleen maar naar haar luisterde zonder de betekenis van haar woorden tot me door te laten dringen.



zondag 30 juni 2013

Belichtingstijd: De warme zomer van 1975





De foto’s die ik van Julia heb gevonden, beslaan een periode van negen jaar. De vroegste is genomen in 1972. Het is Hemelvaartsdag, de dag waarop volgens katholieke traditie kinderen hun eerste communie doen. Julia zit op een houten klapstoel in het eenvoudige interieur van mijn oudste broer. Op haar schoot, mijn nichtje Roos gekleed in een wit-kanten jurkje. Roos’ blonde haar, gekapt in een Franse paardenstaart en opgemaakt met witte bloemen, vormt een scherp contrast met de donkere wijduitstaande haardos van Julia. Roos kijkt met  grote ogen recht in de lens van de camera. Trots toont ze het vlammetje, dat ze ontfutseld heeft aan de aansteker in haar hand, terwijl ze wacht op de sigaret die Julia rolt uit een pakje shag. 

Driemaal Julia op stukjes papier niet groter dan een pasfoto, afkomstig van proefstroken waarmee we de juiste belichtingstijd bepaalden voor we tot de definitieve afdruk overgingen. We leven een jaar later en zwoegden voor ons eindexamen VWO. Aan de omgeving te zien staat ze in de tuin van het huis in Bussum waar ze in die tijd op kamers woonde. Haar handen stevig geplant in haar zij, springen haar tepels dwars door het velours van haar vest heen uitdagend naar voren. 
Opvallend ook hoe jeugdig rond haar gezicht, hoe zacht haar kaaklijn nog is. Ik ben helemaal vergeten dat ze zo kon stralen, zo vrolijk ook kon zijn.

Zomervakantie 1975. Bergen aan Zee. Ingetogen, verlegen bijna, haar handen losjes tussen haar dijen in het zand, zit Julia in lotushouding op het strand. Ze paste op het huis van haar zus en had mij samen met de dochters van mijn oudste broer uitgenodigd, om haar een week gezelschap te houden. Op één dag fietste ik, samen met de kinderen, de 100 kilometer om van mijn geboortedorp naar Alkmaar te komen. 
Vanaf Katwijk voerde de tocht over fietspaden gelegen vlak onder en langs de kust van de Noordzee. Duin op, duin af, reden we helemaal tot aan IJmuiden. Roos, nog maar tien jaar oud, duwde ik of ze liet zich, als mijn hand moe was geworden, voortslepen door zich aan mijn pols vast te klemmen. Haar zusjes van twaalf en dertien trapten zonderen mopperen op hun met bagage overladen oude fietsen.

                                         

                                        

Het prachtige weer bleef ons de hele week vergezellen. Bijna dagelijks waren we te vinden op het strand. Vaak ook zochten we verkoeling in de diepe en half verwilderde tuin achter het huis. Beschermd door met klimop begroeide muren trokken de meisjes naarmate de zon hoger en hoger klom, steeds meer kledingstukken uit. Nagenoeg naakt en op hun knieën gezeten wiedden ze het onkruid dat tussen de steentjes van het terras groeide. Dregden algen, kroos en een overschot aan waterplanten uit de visvijver en spetterden elkaar met de tuinslang nat.


Helemaal bloot werd het waterballet daarna in de douche voortgezet. Julia legde het feest vast op de gevoelige plaat. Het huis beschikte over een donkere kamer en samen keken we nog diezelfde avond naar het resultaat. Liggend op hun buik, een grijns van oor naar oor, steken drie hoofden net uit boven de rand van de douchebak. Roos, de enige met lang haar, heeft een enorme douchemuts op. Drie giechelende meisjesgezichten boven elkaar, kijken op een andere foto, langs de opengeschoven douchedeur heen. En tot slot natuurlijk de blote billen foto, die antwoord moet geven op de vraag: wie er, te zien aan de bikinilijn, het meeste bruin is geworden?














dinsdag 25 juni 2013

Belichtingstijd: Een bonte droom


Ik heb na lang zoeken een paar foto’s van Julia gevonden. De meeste zijn zwart-wit en vermoedelijk met haar camera genomen. Ik maakte bijna uitsluitend dia’s in die tijd. Dat was goedkoper en de geprojecteerde beelden vond ik mooier, maar wel lastiger, om naar terug te kijken. Bijvoorbeeld op mijn verjaardag als mijn broers en zus op bezoek kwamen en ik wat van mijn vakantie wilde laten zien.
    ‘We gaan toch geen dia’s kijken, hé?’ Werd al snel de slogan op mijn feestjes: ‘niet zo ongezellig hoor!’
    ‘Niet de hele avond in het donker!’
    ‘Een paar dozen maar?’ Bedelde ik dan en probeerde ze te verleiden met de aankondiging dat er ook mooie opnamen tussen zaten van mijn nichtjes en neefjes: hun kinderen.



Kinderen zijn mijn geheime wapen. Al heel jong zette ik het in om mijn eigen zin door te kunnen drijven. Maakte ik van mijn nood een deugd en bood mijn moeder aan dat, terwijl zij werkte in het huis, ik wel op de kleintjes zou letten. Ik nam mijn jongste broertjes mee naar buiten, waar ik zelf wilde spelen, en rende met hen en de drie buurmeisjes waar ik ook op paste, de graslanden in. Daar in de wijdheid van een Hollandse polder werkte ik aan mijn droom: een eigen circus. 




De fotootjes zijn gemaakt halverwege de jaren vijftig. Op een oude deken in het gras maken kinderen gymnastische oefeningen. Ze liggen op hun buik, duwen zich af met hen handen, strekken hun lijfjes, hangen met hun hoofd achterover en plaatsen hun voeten er in een boog bovenop. Ze zijn vier, vijf en zes jaar oud. Voor slangenmens leerde ik hen, moet je jong beginnen met trainen.
  

Behalve het rondreizende variété op de jaarlijkse kermis was een belangrijke inspiratiebron: De bonte droom van het Circus. Een album uitgegeven en gratis verstrekt door het Nederlandse Zuivelbureau te ‘s-Gravenhage. 

  

De ongeveer honderd plaatjes met afbeeldingen van beroemde circusfiguren, spaarde ik met de logo’s die op de zilverkleurige verpakking van roomboter waren gedrukt. Het was voor mij een geluk dat mijn moeder in die tijd aan galblaaskolieken leed. Sommige voedingsmiddelen zoals spinazie bijvoorbeeld had de huisarts haar ten strengste verboden, maar het gebruik van echte boter had hij juist voorgeschreven. Er stond bij ons dus iedere dag roomboter op tafel en zo kon ik sparen tot alle lege vakjes in het album waren opgevuld.

 Het circus, dat staat voor jeugd, voor eeuwig jong en lenig, heeft voor mij een extra herinnering gekregen: de geur van sterke boter, die zich hechtte aan mijn handen als ik de zegels uit de opgespaarde wikkels knipte.    

donderdag 30 mei 2013

donderdag 9 mei 2013

Belichtingstijd: Julia - slot





                                             


 Julia was voornamelijk gevormd door de enige liefde die ze kende, die van haar moeder. Ze noemde het een voorwaardelijke liefde. Alleen als ze voldeed aan het beeld van de ideaal dochter werd ze door haar moeder gewaardeerd. Haar moeder wilde geen zoon, maar het meisje dat zelfstandig, vrolijk, sterk, impulsief, intelligent, de man de baas was. Haar moeder wilde een dochter waarin zij een verlengstuk, een voortzetting van haar eigen strijd tegen de mannen vond. Ze bewonderde  Julia’s  scherpe analyserende kritiek op mensen en Julia’s  vermogen in extremen te leven, te lijden en anderen te laten lijden. Ze veronderstelde dat het een bewijs was van een diep emotioneel gevoelsleven. 

Julia noemde het de bewondering voor haar demon. De eerste tien jaar van haar leven had ze zich schuldig gevoeld als anderen haar prezen om haar liefheid en aardigheid, terwijl ze van zichzelf wist dat ze niet lief en aardig was. Daarna veranderde ze haar houding: bekende tegen iedereen haar gemeenheid, toonde hen die. Vanaf haar twaalfde jaar zocht Julia in andere  mensen naar hun zwakheden, naar hun negatieve eigenschappen, vergrootte deze uit en stelde ze aan de kaak. Ze wilde een leven van extremen. Kwaad, lijden, vreugde, goedheid, dat alles hoorde bij het leven, dacht ze toen, en alleen als ze in staat was dat te accepteren zou ze intensief en eerlijk kunnen leven.

Terugdenkend aan die tijd dacht Julia nu, dat haar moeder te intelligent was om het positieve in zichzelf en anderen als christelijke goedheid te zien. Het was wel terecht dat, de motieven uit haar psychische onderbewuste haar een gevoel gaven dat het ‘goede’ niet zuiver was, maar onterecht dat, zij zich daardoor van het positieve afwendde. 
Haar moeder, vertelde ze mij, maakte de vergissing positief aan goed te koppelen en het was juist daarom dat Julia Henry Miller zo fantastisch vond, omdat hij deze beide symbolen in hun betekenis aan elkaar ontkoppeld had. Anaïs Nin leefde met deze zelfde ontkoppeling van goed en positief maar streefde er tegelijkertijd naar het positieve in anderen en zichzelf te versterken omdat dit meer geluksgevoel zou geven.

Julia adoreerde Anais Nin en raadde iedereen in haar omgeving aan haar dagboeken te lezen. Ze gaf mij het eerste deel cadeau en vroeg steeds of ik het al gelezen had. Ik ergerde mij aan Anais’ liefheid en het literaire kringetje waarin ze zich bewoog verveelde mij.
Julia wilde dat niet accepteren. Ze verweet mij een zelfde soort liefheid, maar dat ik die niet doorprikte en niet erkende als neurose. Ze verwees mij naar ‘Scènes uit een huwelijk’ van Ingmar Bergman. In het bijzonder naar de scène waarin Liv Ullmann - in haar rol van Marianne – bekende, dat ze altijd lief was geweest, dat ze altijd had voldaan aan de wil van de ander en had geleefd zoals haar moeder of haar echtgenoot wilde. Dat ze leefde, maar nooit naar haar eigen wil en dat bezegelde met de woorden; ‘dat was mijn liefheid, vals en laf.’ 
 
Het was in de tijd dat iedereen hoog weg liep met het boek ‘fear of flying’ van Erica Jong. Julia begreep er niets van. Op pagina 33 aangekomen vertelde ze mij dat ze het een erg slecht boek vond. Ten eerste kon Erica Jong niet schrijven. De seks die ze beschreef liet haar volledig koud, terwijl Henry Miller of Anais Nin  hun woorden zo wisten te kiezen dat je wel opgewonden moest raken als je een erotische scène las. Ten tweede vond ze Jong cynisch, hard, agressief. Niet geïnteresseerd in mensen, alleen in het manifesteren van zichzelf en het uitleven van haar boosheid. Bovendien vond ze haar niet erg intelligent.
Het feit echter dat haar boek een bestseller was, wees er misschien wel op dat veel vrouwen zich van hun gekunstelde liefheid bewust werden. Deze bewustwording riep kwaadheid op. Kwaadheid op de man die hen zo graag in die rol zag.


Tot in de kleine uurtjes discussieerden we verder over man/vrouw verhoudingen, over de invloed van culturen, normen, waarden en wat dat alles voor ons - jonge vrouwen - betekende.  We wilden machtsverhoudingen veranderen en de wereld bereizen. Het persoonlijke werd politiek.
Julia had zich voorgenomen om nooit te trouwen, maar over een paar jaar wilde ze wel een kind. Ze fantaseerde dat wij, tegen die tijd, samen in één huis zouden wonen en dat ook ik een kind kreeg. Op die manier konden we onafhankelijk van mannen voor onze kinderen zorgen en tegelijkertijd het benodigde geld verdienen. 


Julia was de eerste persoon in mijn omgeving die de noodzaak van trouwen, voor het krijgen van kinderen, doorbrak.

vrijdag 3 mei 2013

Belichtingstijd: Julia



Foto’s. Ansichtkaarten. Herinneringen. Ze horen bij een bepaalde tijd: je was al weg uit huis of woonde nog bij je ouders, maar wel in de periode dat je grote broer al naar Brazilië was vertrokken. Je was nog een klein kind, of juist een moeilijke puber. Kennelijk trekken sommige megagebeurtenissen een grens in je geheugen, waardoor je persoonlijke geschiedenis in stukken uiteen valt. Er zijn gebeurtenissen in mijn leven, die niet alleen belangrijke historische momenten markeren maar, die van mij een ander mens maakten. Zo is de Jana  van: toen leefde Jaap nog,  iemand anders dan de Jana van: toen was Jaap al dood, en de Jana van: nog voor de kinderen, is iemand anders dan de Jana van: toen waren de kinderen er.

Julia leerde ik kennen op het Goois Avondlyceum in Hilversum, toen Jaap al dood was, maar het was nog voor de kinderen. Aan het begin van het voorlaatste schooljaar zat ze plotseling in de klas. Ze trok direct mijn aandacht. Groot. Uitspringende jukbeenderen. Ogen als kastanjes, die rijp van de boom gevallen, net uit hun omhulsel waren geplukt. Schichtig keek ze om zich heen. Zwart haar danste rond op haar schouders. Haar mond was als een hart van vlees dat klopte, terwijl ze praatte. Mooie Julia! Intelligente Julia! Ze las: Dylan Thomas, Henry Miller, Anais Nin met als tussendoortje Agatha Christie's en alles in het Engels. We werden vriendinnen; zaten in onze kamers met wat kussens op de grond, dronken kleine slokjes cointreau uit platte glaasjes en vertelden elkaar over ons ouderlijk nest.

De  moeder van Julia was een gerenommeerd schrijfster en  lid van De Pen, die, eenmaal bezig aan een boek, zich door niets of niemand liet storen. Julia herinnerde zich haar vooral als mammie die in een stoel met een schriftje op haar schoot geconcentreerd zat te schrijven. Het huis om haar heen verkeerde in grote wanorde en Julia, wijs geworden door de bevreemde blikken van vriendjes en vriendinnetjes, had geen speelkameraadjes meer mee naar huis durven nemen.

Haar twee jaar oudere zusje Titia zal zestien of zeventien jaar geweest zijn, toen ze het op een dag vertikte om uit haar bed te komen. Geduldig afwachten, vriendelijk vragen, boos worden, niets had geholpen. Titia trok het laken over haar hoofd en keerde haar ouders en de hele samenleving de rug toe. De spanningen in het gezin liepen hoog op. Artsen, psychologen en pedagogen werden geraadpleegd. Ten slotte waren ze bij de psychiater Jan Foudraine terechtgekomen, die in 1971 grote bekendheid zou krijgen met zijn boek Wie is van hout… Titia verbleef een jaar lang in zijn kliniek en Foudraine kreeg haar in letterlijke en figuurlijke zin weer aan de praat.
Julia had erg onder die situatie geleden. Behalve dat er nog minder aandacht voor haar persoon was geweest, verweet haar moeder haar, dat ze mede oorzaak was van het instorten van haar zusje. Zo zou Julia vanaf haar geboorte een zeer dominant kind geweest zijn, dat alle aandacht in het gezin voor zich alleen opeiste en haar zusje voortdurend had overvleugeld.

Op het moment dat ik Julia leerde kennen, was het huwelijk van haar ouders al gestrand. Pappie woonde samen met Tante Hetty en haar drie dochters. Julia had een hekel aan ze: Tante Hetty was een ijskonijn, waarvan ze de onzijdigheid benadrukte door over haar te spreken als het Hetty. De dochters aanstellers. Haar vader bezocht ze af en toe op zijn werk in het Stedelijk Museum. Op een keer nodigde ze me uit om mee te gaan. Julia leek op haar vader. Een grote slanke man van begin vijftig met een gevoelige mond en, zo constateerde ik, de neus met het plateautje waar ze zo’n hekel aan had, was een genetische erfenis van hem. Niet lang daarna werd hij getroffen door een hartinfarct. Tante Hetty vond hem ’s morgens in de tuin. Hij lag voorover met zijn gezicht in de vijver. Julia deelde het onbewogen aan mij mee alsof haar vader niet die morgen, maar al lang geleden gestorven was.

De enige keer dat ze haar vader daarna ter sprake bracht was in een brief. Ze schreef: vandaag is mijn vader jarig. Ik denk aan hem met gemengde gevoelens. Want juist op zijn verjaardag wilde ik naar hem toe, aardig voor hem zijn. Dat kon ik de laatste jaren niet. Ik deed niets. Schreef hem niet omdat ik dan aan het Hetty en hem schreef, kwam niet, omdat ik dan bij het Hetty op bezoek moest.