zaterdag 1 februari 2014

Mon Cherie

Cherie 2014                                                                                                                                                  aquarel  30x40 cm 


Eind september 1998 stapte ze in mijn leven. Neen eigenlijk al eerder. Het was op de dag dat ik haar zag liggen drinken bij haar moeder Tessa, samen met zus Okkie en ze vanwege het licht dat door het weggetrokken gordijn plotseling op haar viel, naar mij blies. Dat kleine blazende bolletje poes daar viel ik voor. Ik heb nu eenmaal een zwak voor alles wat pittig is! Wat mij uitdaagt! 
Daarnaast was ik er van overtuigd dat ze van het mannelijk geslacht was. Vraag me niet waarom? Vermoedelijk gewoon een misplaatst vooroordeel en ik traditiegetrouw mijn huis tot haar komst altijd met katers had gedeeld.   

Onze poes Tom was al ernstig ziek, maar heeft toch nog een paar weken van haar speelse activiteiten mogen genieten. Samen met de kinderen bedachten we, mede door het misverstand, de naam Jerry en leefden we in de veronderstelling getuigen te mogen zijn van een leuk stripverhaal. 
Niet dus! Jerry bleek een meisje te zijn en omdat wij haar niet met een identiteitscrisis op wilden zadelen hebben wij haar na de dood van Tom  officieel als Cherie laten registreren. 

Mijn kleine kattenkop is inmiddels vijftien jaar oud en de baas in huis. Ze laat haar plekje naast mij in bed niet afpakken door Jip, die in het holst van de nacht ook een beetje nestwarmte zoekt. 
Ze gilt moord en brand als haar iets niet zint. Drinkt het liefst water uit de kraan en heeft mij niet vergeven dat ik de deur open heb gezet voor Mo, een toen vijf maanden oude kitten die vol vlooien en een paar soepogen op een dag in de herfst voor mijn deur stond te huilen. 

Hooghartig en met opgestoken staart wandelt ze langs haar heen alsof ze lucht is! 

Ja dat is Mon Cherie!

zondag 5 januari 2014

Portret van mijn ouders


Ik fotografeerde ze ergens in het begin van de jaren zeventig vorige eeuw afzonderlijk achter ons ouderlijk huis in de tuin. 
Nu zo'n veertig jaar later verenigde ik hen in olieverf samen op een stuk canvas. 
Wekenlang zocht ik naar wie ze waren. Mijn penseel aarzelend hangend voor het doek, sloot ik hun lippen. Opende ik hun ogen en zie...

mijn ouders.


maandag 30 december 2013

Forever Young

Ezeltje rijden op het strand 1898 Isaac Israël                                                    Rijksmuseum

Ik maakte deze foto afgelopen november in het Rijksmuseum en realiseerde me dat deze kinderen, hoewel gestorven toch eeuwig jong en aanwezig blijven.

Blijf eeuwig jong ook in 2014!


maandag 23 december 2013

Belichtingstijd: een goed verstand


Moeders handen

Moeders handen liggen blauw dooraderd en rimpelig voor me op het pluche tafelkleed. Eén hand omklemt met moeite een zakdoek, de ander kan ze na een val en breuk in haar elleboog niet meer gebruiken. We zitten in haar kamer in het bejaardenhuis waar ze nu woont. Mijn handen glijden tegen de vleug in over het kleed en trekken een schaduw. In mijn oren klinken de piepende geluiden die het pluche maakte, toen ik op een keer als kind met een schaar in het kleed knipte. Onwillekeurig trek ik mijn hoofd opzij om alsnog de dreun te ontwijken, die moeder me gaf toen ze het ontdekte.
Ze heeft er achteraf spijt van, heeft ze me zojuist bekend, dat ze ons, haar kinderen, gestimuleerd heeft om te gaan leren. Ik kijk met ongeloof naar haar. Naar haar mond die in een treurige streep links en rechts naar beneden trekt. We zijn zo veranderd, zegt ze. Ze kan ons niet meer volgen en vraagt zich af of wij er  gelukkiger door zijn geworden?

Ik durf de reikwijdte van haar woorden niet te vatten, de diepte van haar pijn niet te peilen. Eén klein kind op schoot, een paar anderen tegen haar aangeleund zie ik haar weer voorlezen uit het dikke vertelboek. Was je wat groter en kon je al lezen dan gaf ze je op zondagmorgen een dubbeltje. Daarmee rende je na het kerkbezoek naar de R.K.Bibliotheek om je favoriete boek te lenen. Wipneus en Pim, Daan de Eend, De vier wonderkippen, Arendsoog, Pim Pandoer, Bob Evers, hele series heb ik samen met mijn broertjes verslonden. Stijf tegen elkaar, gezeten aan de tafel midden in de kamer, las ik met mijn broer Dirk of Otto urenlang in hetzelfde boek. Wie het verst was zat rechts. Het verschil in pagina’s hielden we in een bundeltje omhoog. Links gezeten las ik als een bezetene, liet blad na blad vallen tot ik mijn broer minzaam kon meedelen dat we van stoel moesten verruilen.
Het was moeder die met Sint Nicolaas of een verjaardag, behalve naar speelgoed, naarstig zocht naar jongens- en meisjesboeken die pasten bij je leeftijd. Boeken waarvan mijn vader soms kwaad riep dat het zonde was van het geld en dat zij ze in de kachel moest gooien, omdat hij bang was dat wij ons verstand zouden verlezen.



Moeder rechts boven

Mijn moeder was de oudste van acht kinderen. Haar vader, mijn opa, werkte als boerendaggelder, een dagloner die als knecht bij een boer het geld voor zijn gezin verdiende. Het verhaal gaat dat hij in zijn jeugd onderwijzer wilde worden. 

We leven eind 19e eeuw, de Franse Revolutie ligt al een eeuw achter ons en het bloed aan de adellijke slagaders is al lang geronnen. Toch is de plaats waar de wieg van mijn opa staat nog altijd belangrijker dan de geestelijke vermogens waarmee hij wordt geboren.
Een geboorte die een drama is want zijn moeder sterft. De kleine Dries zal opgevoed worden door een veeleisende en koude vrouw, die aanvankelijk als huishoudster, later als de tweede echtgenoot van mijn overgrootvader de plaats van zijn moeder inneemt.



Op een goed bewaarde foto, ergens in het begin van de twintigste eeuw staat opa in een weiland tussen koeien. In het midden zit de boer met zijden pet, schijnbaar een koe te melken. In haar donkere hoog dichtgeknoopte jurk, het lange haar gekapt in een wrong, staat links van hem de boerin. Ze draagt op haar arm – gezien de wijze waarop ze hem toont - haar lievelingshond. Verder naar links staat een jonge vrouw met een nog kinderlijk rond gezicht. Aan haar schort dat tot op de voeten valt, hangt een verlegen meisje niet ouder dan drie. Helemaal rechts op de foto dicht bij de sloot waar de emmers worden gespoeld staat opa. Gekleed in boerenkiel, platte pet op zijn hoofd, draagt hij in zijn rechterhand een met metalen banden omringde houten melkemmer. In zijn linkerhand houdt hij het melkblok klaar om onder een koe op de grond te zetten.
Het bezit van grond, van landerijen bepaalt nog steeds de politieke macht. De boerenstand is oppermachtig en een dagloner moet zich niets in het hoofd halen. Mijn opa zal zijn hele leven werken als knecht, zijn verstand doet hij gelden in huiselijke kring. Ik herinner me bijvoorbeeld hoe hij tijdens de verjaarvisites van vader en moeder, heftig debatteerde  met mijn ooms en tantes over politieke issues, zoals het gevaar dat dreigde  vanuit Rusland onder Stalin en of we nu wel of niet onder de voet gelopen zullen worden door het communisme. 

Mijn moeder keek hoog tegen haar vader op. Opa was een principiële man die in huis de regels stelde, een godvruchtige man ook die aan tafel vóór bad. Een man die precies wist waar alles lag. Ieder stuk gereedschap, ieder schroefje en spijkertje had zijn eigen plaats in het keurig opgeruimde schuurtje. Hij was een echte man, zei ze soms. Niet te vergelijken met haar man, mijn vader, die zijn sokken nooit kon vinden, die zijn kinderen voor deed hoe ze op hun hoofd moesten gaan staan en met hen door het gras rolde als een nest jonge honden. In het begin van haar huwelijk had ze hem gestimuleerd om net als haar vader vóór te gaan in het gebed. Hij probeerde het één keer maar brak halverwege af. ‘Dat kan ik niet hoor,’ zei hij, ‘dat moet jij maar doen.’
Daarmee gaf mijn vader het heft uit handen. In ons huis was moeder de baas. Zij wist hoe het hoorde en wat goed was voor iedereen. Waagde ze zich één meter buiten het tuinhek veranderde ze in een verlegen, bijna schuwe vrouw. 
Deze foto staat boven mijn bed

De foto boven mijn bed geeft het prachtig weer. Tweede helft veertig en in hun zondagse kleren staan mijn ouders op de provinciaalse weg voor ons huis. Moeder zoekt bescherming achter vaders rug, onzeker kijkt ze over zijn schouder, terwijl een glimlach aarzelt rond haar mond. Vader heeft zich vierkant voor haar opgesteld. Hoed recht op het hoofd, brandende sigaret tussen de vingers, presenteert hij een brede lach.


Niet alleen opa, ook mijn moeder had een goed verstand. Ze vertelde ons dikwijls, dat ze op school een snelle leerling was geweest. Trots voegde ze er dan aan toe, dat de hoofdonderwijzer over haar had gezegd, dat het zonde was dat ze niet mocht doorleren, maar dat was in die tijd niet gebruikelijk. Het was voor een meisje, zeker uit een lagere stand, belangrijker dat ze een paar flinke handen aan haar lijf had. Moeders handen mochten er zijn en gehoorzaam als ze was ging ze zonder verzet op twaalf jarige leeftijd bij een familie onder dienst. Eén dag in de week keerde ze terug naar haar ouderlijk huis om oma te helpen, die een zwakke gezondheid had.

Goed kunnen leren werd ons familiewapen. Het gaf mij en mijn broertjes een rechte rug. Wij hebben geen geld, ook geen relaties die ons in bepaalde kringen voor kunnen dragen leerde ik ook mijn kinderen; ons kapitaal zit in onze schedel. Mijn kinderen, ze zijn goed opgeleid, maar toch stel ik me sinds kort ook de vraag of ze er gelukkiger door zullen worden?

Nieuw verworven kennis, voerde ik aan in mijn essay, zou alleen extra geluk betekenen voor kinderen van de werkende klasse als zij hun identiteit konden behouden. Hun eigen taal mochten blijven spreken, hun afkomst niet hoefden weg te moffelen en hun ouders niet te loochenen. Zo niet, zouden steeds meer kinderen die zich buiten hun milieu waagden vereenzamen. Het gevoel nergens bij te horen zou er toe leiden dat veel van hen in een crises zouden raken.   

Was het mijn eigen eenzaamheid waarover ik sprak? Een schreeuw om aandacht voor dat gevoel van verlatenheid? Een bijna niet te verwerken rotgevoel noemde Julia het in één van haar brieven. Ze verdacht mij ervan dat ik het moest kennen: ‘Altijd wanneer ik me angstig alleen voel in de rechtvaardiging van mijn bestaan tegenover andere mensen, schrijf ik in gedachten aan jou. Ik hou me vast aan de woorden, aan de zinnen om de illusie van niet alleen staan te beleven.’

maandag 25 november 2013

Belichtingstijd: geruite overhemden en manchester broeken



Carte postale staat er gedrukt op de achterkant van twee oude foto’s die ik van mijn vader heb gevonden. Op de één poseert hij met drie andere mannen en een jongen – een kind nog bijna – in een suikerbietenveld. Een van de mannen, gekleed in wit overhemd, opgerolde mouwen en een stropdas, is vast de baas waar vader zeven dagen in de week voor werkt. Op de achtergrond staat de glazen kas waarin hij op de andere foto met dezelfde mensen is afgebeeld, nu tussen jonge tomatenplanten. 



De foto’s zijn van vlak voor of aan het begin van de tweede wereld oorlog genomen. Vader, sigaret tussen de vingers en al helemaal kaal, draagt een alpinopet scheefgetrokken op zijn hoofd. Onder die pet heb ik zijn gezicht langzaam oud zien worden. Nu nog jong moeten bretels ervoor zorgen dat zijn werkbroek niet langs het magere lichaam naar beneden glijdt.

Op de vakgroep ontwikkelingspsychologie heerste een geest van wat ik het best als het arbeiderisme kan omschrijven. Studenten vereenzelvigden zich met de werkende klasse en bevolkten de collegebanken gekleed in de geruite flanellen overhemden en grove manchester broeken waarin ik mijn vader naar de fabriek had zien vertrekken. Hij werkte in die tijd op een grofsmederij en stookte de ovens waarmee ijzer werd gesmolten bij een hitte van 1200 graden. Iedere keer als ik een student in zo’n blouse zag, rook ik het zweet van mijn vader. Niet een zeepmiddel bleek in staat om de penetrante geur van zijn zweet weg te wassen, een geur die in blauwgrijze dampwolken omhoog kringelde als mijn moeder zijn blouse stond te strijken.
Het moet voor mijn ouders, mijn ooms en tantes  een vreemde gewaarwording geweest zijn dat, precies op het moment dat zij het zich financieel konden veroorloven om zich netjes te kleden en zich realiseerden, dat wilde je erbij horen je jezelf in pak met overhemd en stropdas moest presenteren, de high society rond ging lopen in oude T-shirts en spijkerbroeken met ingezette stukken.
Het was niet alleen populair om in arbeiderskleren rond te lopen. Studenten, vooral de mannelijke, lieten ongegeneerd winden en boerden midden in gezelschap. Het waren normale lichamelijke processen en het was burgerlijk om je daar voor te schamen. Tijdens een eerdere opleiding voor verpleegkundige beweerde een docent sociologie eens, dat je thuis een plek moest zijn waar je zonder meer een wind kon laten. Ik had dat al heel revolutionair gevonden en herinnerde me met schaamte de afkeer die mijn vader bij me opriep als hij een wind liet. ‘Trek eens aan mijn vinger,’zei hij dan tegen een van mijn kleine broertjes en liet vervolgens gewoon een keiharde scheet. Mijn broertjes vielen altijd om van het lachen, maar ik hoopte op zo’n moment, dat hij niet mijn echte vader was.
Meest prominente windelater onder mijn medestudenten was Kor, de zoon van een dominee. Hij maakte deel uit van mijn introductiegroepje. Kor gaf zijn winden overal de ruimte en sprak, zonder ook maar met één oog te knipperen, gewoon door over sociologische vraagstukken als de conflicttheorie van Galtung waar we ons toen hevig voor interesseerden. De lucht was vaak niet te harden, vooral als er Chili con Carne op het menu had gestaan, een gerecht dat je bijna zonder uitzondering kreeg voorgeschoteld als er in een grotere groep samen werd gegeten. We deelden veel met elkaar en ik denk met spijt terug aan mijn lievelingsplaat: Aretha Now, waarvan Kor vond, dat hij die wel even mocht lenen. Ik heb de LP met soulmuziek van Aretha Franklin nooit meer teruggezien. Kortgeleden heb ik de The Very Best  van haar op een cd’tje gekocht, maar haar stemgeluid klinkt minder mooi als wat ik mij herinner van die oude LP.
    

Als de dochter van een arbeider kregen mijn woorden in deze omgeving extra gewicht. Voor het eerst in mijn leven werd, wat ik wilde vertellen, belangrijk gevonden. Werd er naar mij geluisterd en later zelfs over mij geschreven: in de volkskrant door Ben Haveman, in het universiteitsblad door Wouter Noorderwier en in het boek Na Dennendal… dat Hans Spijker en Goof van de Wijngaart begin jaren tachtig schreven. 
Een gewicht dat ik moest leren dragen, ik was daar niet toe uitgerust. In mijn opvoeding leerde men mij om te dienen, om te zwijgen. Ik werd door de nonnen op school in het kolenhok gestopt als ik hardop zei dat de kinderen van rijke ouders werden voorgetrokken.


Wetenschappelijk was men vooral geïnteresseerd in maatschappelijk bepaalde machtsverhoudingen, waarvan men dacht dat die een ongunstige invloed hadden op de ontwikkeling van de persoonlijkheid. Achterstandsituaties van bijvoorbeeld kinderen uit arbeidersgezinnen zouden de oorzaak zijn van slechtere schoolprestaties en een lage doorstroom naar de universiteit. Net zoals nu bij de allochtone bevolking probeerde men een deel van het probleem op te lossen door arbeiderskinderen al heel jong aan intensieve taalprogramma’s deel te laten nemen. Om op die manier hun vocabulaire en denken te vergroten met woorden en begrippen die meer aansloten bij de taal waarin het onderwijs werd gegeven namelijk die van de middenklasse. 

In een vlammend essay: een geluid van de andere kant,  nam ik stelling tegen die opgedrongen taalprogramma’s en veroorzaakte heel wat commotie met mijn uitspraak dat het niet ethisch was om een klein kind een andere taal te leren spreken dan thuis gesproken werd. Dat het verwerpelijk was om de lieve woordjes waarin een moeder haar kind koesterde tijdens het voeden en waarin ze het de eerste gedragregels bijbracht als niet goed genoeg te bestempelen.
Ik stelde de vraag of de vernieuwers van onderwijs wel begrepen wat er gebeurde met een kind als dat een andere woordenschat ging gebruiken dan gewoon was in een bepaald milieu? Het kind plaatste zich op dat moment buiten de gemeenschap waar het thuis hoorde. In de ogen van ouders, ooms en tantes  ging zo’n kind naast zijn schoenen lopen. Het werd hoogmoedig en wilde niets meer met hen te maken hebben. In hun angst om het kind te verliezen zouden ze het belachelijk maken en dwingen om weer hun moers taal te spreken.

 ‘Jullie moeten gewoon blijven,’ hoor ik mijn moeder nog zeggen.






donderdag 19 september 2013

Belichtingstijd: Samen mens zijn


Na het behalen van het VWO diploma in 1973 scheidden onze wegen. Julia woonde weer in Amsterdam. Ze studeerde sinologie in Leiden met als hoofdvak Chinees en als bijvak Japans. Tegelijkertijd deed ze verwoede pogingen om haar huis op orde te krijgen. Ze klaagde onophoudelijk over de onrust die ze ondervond van de nog niet uitgepakte dozen en koffers die overal rondslingerden en waardoor het leek alsof het oorlog was. Naast de psychoanalyse en parttime werken als fysiotherapeut bleek de studie sinologie voor Julia te zwaar. In het voorjaar van 1975 besloot ze het bijvak Japans er voorlopig aan te geven. Uiteindelijk maakte ze niet een van de studies af en de gewoonte om na een verhuizing een deel van haar verleden in koffers verpakt te laten, heeft ze de rest van haar leven behouden.
Ik was na mijn examen aan de universiteit van Utrecht psychologie gaan studeren. Mensen met al hun gedragingen en de erachter liggende motieven boeiden me sinds mijn kinderjaren. Maar misschien had de docent, die het introductieblok sociale psychologie inleidde wel gelijk toen hij tijdens een van de eerste colleges de idee opperde dat psychologiestudenten eerst en vooral in zichzelf geïnteresseerd waren. Zeker is dat de onverwachte dood van Jaap een paar jaar eerder, mij opnieuw had doordrongen van het besef dat mijn leven nietig en kwetsbaar was. Dat het iedere dag onaangekondigd verpletterd kon worden zoals een vlieg doodgeslagen tussen de handen van mijn moeder. Kort daarvoor had ik hem nog vrolijk zoemend door de kamer zien vliegen op zoek naar een suikerkristalletje dat wij met het eten van onze boterhammen hadden gemorst. Een moment later lag hij, na de klap, brommend op zijn rug rond te tollen en veegde moeder hem op met stoffer en blik.
    Mijn verwarring over de zin van het bestaan, over wat het leven – mijn leven – voorstelde en wat ik daarmee aanmoest, waren de belangrijkste pijlers waarop mijn besluit om te gaan studeren was gevestigd. Het liefst was ik filosofie gaan studeren met mijn neus in boeken van denkers als Kierkegaard, Levinas en Sartre. Ik koos voor psychologie met als bijvak filosofie. Als de tijd me gegeven werd, zo dacht ik, zou een psycholoog zijn nut voor andere mensen kunnen hebben. Ik zou mijn ouders uit kunnen leggen, waarom ik na het behalen van diverse diploma’s in de verpleegkunde - waarmee ik volgens mijn moeder zoveel goeds kon doen voor andere mensen - een studiebeurs van de Overheid moest lenen om te kunnen studeren.
De keuze van Julia om in psychotherapie te gaan was in die tijd een opmerkelijke stap. Kunstenaars waaronder Julia’s moeder waren ervan overtuigd dat een analyse hen van hun drive, hun motivatie om te creëren zou beroven. 


De sfeer aan de faculteit waar ik studeerde was ook anti en wel in de breedste betekenis van het woord. Psychosociaal lijden en onaangepast gedrag zag men op de eerste plaats als een gezonde reactie van het individu op ongezonde maatschappelijke machtsverhoudingen. Kiezen voor therapeutische interventie betekende dat je in je werk als psycholoog mensen min of meer zou dwingen om zich aan te passen aan een ziekmakend maatschappelijke bestel.
    Onderling en met de docenten voerden we heftige discussies over de ethiek van dit vraagstuk. We waren het er over eens dat het aangrijpingspunt lag bij verdorven systemen en structuren, maar mocht je de enkeling, een mens die psychisch leed en niet in staat was om het systeem te keren zonder hulp onder laten gaan? Het was voor ons een enorm dilemma.
We leefden in een antitijd: antipolitiek, anticultuur, antiuniversiteit antigeneeskunde en van antipsychiatrie  met voormannen als Cooper,  Laing,  Foudraine en Carel Muller.
    Het was nog geen jaar geleden dat een lange stoet politiebusjes het terrein van de psychiatrische inrichting Dennendal opreed en op ruwe wijze een einde aan de droom van Nieuw Dennendal maakte. Gewoon:samen mens zijn! Was het antwoord van links georiënteerde jongeren op de medicalisering van de samenleving. Hun ideaal: zwakzinnigen uit het isolement van de opéénhoping  bevrijden, brachten ze in praktijk door samen met hen in een paviljoen op het terrein van Dennendal te gaan wonen. Ouderen, zieken en zwakzinnigen zouden weer met en tussen gezonde mensen samen moeten leven. Het fenomeen ging de wereld in als de verdunningstheorie. Het bestuur van de inrichting, departementen, rechtse politieke partijen, journalisten van rechtse dagbladen, maar ook veel ouders van pupillen raakten van deze nieuwe aanpak danig in paniek. Voor - en tegenstanders voerden felle debatten tot in de tweede kamer aan toe en ten slotte besloot de toenmalige regering Den Uyl om in te grijpen.
 Goof van de Wijngaart
Medewerkers van de vakgroep Ontwikkelingspsychologie, waar ik later zou afstuderen, waren verbonden geweest met het experiment, dat zich onder  leiding van Carel Muller in de bossen van Den Dolder had afgespeeld. Ze ontwikkelden een uiterst links studieprogramma en doceerden wat ze een kritische psychologie noemden. Uitgangspunt was hier net zoals in de vrouwenbeweging de eigen biografie aangevuld met theorieën van Marx, Engels en Freire. 

Bewustwording en vrijmaking werden gezien als processen noodzakelijk om bestaande verhoudingen binnen de bezittende - en de niet-bezittende klasse te veranderen. De samenleving, die dan zou ontstaan, zou in beginsel meer gelijkheid in kansen geven aan grotere groepen mensen.  En dat op zijn beurt zou weer leiden tot meer welzijn en minder ziekte.
    Examens werden afgeschaft. Een briefje met een aantekening dat je aanwezigheid op de betreffende colleges bevestigde, was voldoende voor het behalen van de benodigde punten. Een gang van zaken die bij Piet Vroon tijdens een van zijn filosofiecolleges de legendarische uitspraak uitlokte, dat op deze manier de honden die samen met hun baasjes de colleges volgden ook psycholoog konden worden.







maandag 2 september 2013

Belichtingstijd: als zand in een hand


Blij, speels, zorgeloos dollen. Je door geen tegenslag 
te neer laten drukken, dit kinderlijke vermogen ontglipte ons als fijn zand dat tussen je vingers door glijdt. Achteraf gezien vormt de zomer van 1975 het hoogtepunt van mijn vriendschap met Julia. Op de foto’s is al te zien hoe de dan nog ondiepe lijnen ons gezicht verscherpen. De jaren daarna zullen steeds meer gekleurd worden door eindeloze discussies, die we voerden over onze ongelukkig gekozen relaties en onvervulde liefdes.

Het begin van de verwijdering tussen Julia en mij zoek ik in de lente van dat zelfde jaar. Ontevreden met zichzelf klopte Julia aan bij een centrum voor psychoanalyse. In de gesprekken met haar psychotherapeut wordt Julia zich bewust van haar angst om haar ware emoties te durven voelen. In een brief aan mij vraagt ze zich af, of ze ook in mijn aanwezigheid bang is voor haar echte gevoelens. Of het misschien zo is, dat ze zich niet over durft te geven aan het gevoel van liefde dat ik in haar opwek. Niet lichamelijk, maar gewoon houden van. Nu ik jaren later haar brieven weer herlees, dringt de betekenis pas goed tot me door: Julia hield van mij.

Hoe knullig, onhandig en onervaren laveerde ik mijn gevoelens met grote bochten om haar heen. Zweeg ik over de blijdschap die vanuit mijn tenen voorzichtig omhoog kroop en bezit van mij nam als ze in mijn nabijheid was of me alleen maar belde. Ik kon me eenvoudigweg niet voorstellen dat zo’n mooi schepsel, wat in mijn ogen alles bezat wat mij niet was geschonken, zich ook maar iets aan mij gelegen zou laten liggen.

In flarden van herinnering tilt mijn moeder me uit bed. Gehuld in een wolk van pieslucht draagt ze mij op haar arm de huiskamer binnen. Zo direct spelt ze de natte luier los. De ramen zijn zwart van het donker buiten. De kamer wordt spaarzaam verlicht door de lamp boven de tafel. Zo klein als ik ben wordt mijn blik getroffen door een puzzel in een doos. Het deksel ligt er naast. Ik zie de felgekleurde stukjes hout in de vorm van vierkanten, driehoeken en ruiten. Strak geordend liggen ze in de doos op tafel tussen de andere cadeautjes. Het is vroeg in de morgen van zes december, de dag dat Sint Nicolaas jarig is. Niet eerder heb ik zo iets moois gezien.

De indruk die de mathematische puzzel op mij maakte ben ik nooit vergeten, evenals het besef dat dit cadeau niet voor mij, maar voor een ouder broertje was bestemd. Mijn zoon heb ik voor zijn tweede verjaardag een soortgelijke puzzel gegeven. Hij heeft er niet veel meegespeeld.

‘Ze huilt alweer,’ roept een van mijn broertjes naar mijn moeder. Hij rent met een potlood in zijn hand naar de kalender en zet een streepje achter een rij andere streepjes:‘vandaag al zeven keer!’
Jaren later heb ik aan mijn moeder gevraagd, hoe het kwam dat ik als kind toch zo veel huilde:‘was ik misschien niet helemaal gelukkig?’
‘Ach,’antwoordde ze, ‘als je zoveel kinderen hebt, zit er altijd wel een huiler bij.

De blaadjes van het schriftje zijn niet groter dan een half A4. Een rugspiraal houdt alles bij elkaar. Ik wil net als Anne Frank al mijn geheimen aan een dagboek toevertrouwen. Niemand weet het. Zelfs mijn moeder niet. Ik wacht nog één dag, wil de zoete spanningsvolle belofte van het blanco schrift niet loslaten. Voorzichtig zet ik daarna de eerste woorden op het lege blad. In donkerblauwe inkt en door iedereen te lezen verschijnen mijn diepste gedachten op het witte papier.
Geschrokken zoek ik naar een plaats in huis waar geen broer of zus het kan vinden. Achtervolgd door hun hoon, hun dodelijke lach vlucht ik naar zolder, waar achter een gordijn mijn moeder de kerststal heeft opgeborgen en stop het schrift tussen de in kranten gewikkelde beelden. Het ligt er een halve dag als ik op zoek ga naar een nieuwe plek. Beelden, ook al zijn ze heilig, beschermen mijn gevoelens niet. Nergens vind ik een veilige plek. Ik heb geen eigen kamer, geen eigen bed. In ons huis is je kont niet eens van jezelf, zegt mijn moeder steevast als ik soms ruzie maak met mijn broertjes en beweer dat een stoel van mij is, omdat ik hem het eerste heb gepakt.
Mijn dagboek wordt maar drie dagen oud. De beschreven velletjes verdwijnen in heel kleine snippertjes tussen het huisvuil achter in een sloot.

Hoe had ik Julia duidelijk kunnen maken dat ik ook van haar hield? Hoe had ik haar kunnen helpen? Ik denk daar af en toe aan terug: dat ik niets gedaan heb. Dat ik niet dwars door dat pantser van haar ben heen gebroken. Mijn armen om haar heen heb geslagen en haar getroost. 
Dat ik alleen maar naar haar luisterde zonder de betekenis van haar woorden tot me door te laten dringen.