| aquarel 30 x 40 cm |
zaterdag 29 maart 2014
maandag 17 februari 2014
Handen groeien boven het graf: Ouderenmishandeling
'Aart, ik heb zo'n pijn op mijn borst, maar ik durf geen
zuster te bellen; zulke spinnenkoppen als het zijn. Altijd druk met het weven
van hun eigen web hebben ze geen tijd om een oud mens op de wc te helpen en mij
een luier omgedaan. Een luier! Aart, ik die met mijn handen zoveel luiers heb
staan wringen, lig nu zelf met een pieslap om.'
Uit: Het Bezoek
Een verhaal over het sterven van mijn oude moeder. Slechts
een paar jaar maar leeft ze in het verzorgingshuis, waar ze op advies van haar
huisarts naar toe is verhuisd: ‘Immers ze is nu nog gezond, redt zichzelf met
een halve dag huishoudelijke hulp in de week. Maar als ze dat straks niet meer
kan, hoeft ze er niet op te rekenen dat ze haar daar dan nog toelaten.’
Twee jaar later is ze een wrak. Stoned van de valium zit ze
in haar stoel met een gebroken arm die, na een val, niet meer geheeld is.
Wezenloos staart ze voor zich uit. Angstig soms, bang voor de nacht en de verzorgster die
expres aan haar gebroken arm trekt omdat ze gebeld heeft. Omdat ze moet
plassen. Veel moet plassen omdat ze plaspillen te slikken krijgt. Tot drie keer
toe constateren we dat er geld uit haar portemonnee verdwijnt.
In Nederland wordt één op de twintig ouderen mishandeld. Deze
cijfers dateren uit de tijd dat mijn moeder in 1994 op 85tigjarige leeftijd
overlijdt. Onderzoekers gaan er dus vanuit dat dit getal nu anno 2014 hoger
ligt.
Ouderenmishandeling kent vele vormen: verwaarlozing,
financiële uitbuiting, fysieke, geestelijke en zelfs seksuele mishandeling.
Zembla besteedde afgelopen donderdag 16 januari aandacht aan dit fenomeen.
Behalve dat het programma schokkende YouTubefilmpjes toonde, vroeg een
interviewer aan de bekende verpleeghuisarts Bert Keizer waar we de oorsprong
van dit fenomeen moeten zoeken?
Het antwoord van de verpleeghuisgoeroe schokte mij meer nog
dan de filmpjes. Alsof we hier met zijn allen in een wilde dierentuin leven
zonder hekken. Bert nl. zoekt de oorsprong van de verwaarlozing in ons
dierlijke gedrag, dat niet toegerust is om voor oudere dieren te zorgen. Het zit
niet in onze biologie; niet in ons DNA. Als we onze taak – het voortbrengen van
nageslacht – hebben volbracht zijn we biologisch gezien niet meer interessant
en treedt er onverschilligheid op.
Hoppa! Trap die oudjes maar in een hoek waar ze niet meer
zelfstandig uit kunnen komen. Pik hun pensioenen maar in waar ze voor werkten
toen de testosteron en oestrogenen nog door hun lichaam gierden! Nu zijn wij
aan de beurt! Alsof er niet zoiets als een beschaving bestaat. Beschaving die gemeten
wordt aan de wijze waarop we voor onze
ouderen en zwakkeren zorgen! Alsof er nooit samenlevingen zijn geweest waarin
de stamoudsten gerespecteerd werden vanwege hun levenservaring en hun wijsheid.
Je reinste Barbarisme. Gelukkig is Bert Keizer kritischer
naar de staatssecretaris van VWS; Martin van Rijn, die verantwoordelijk is voor het beleid waaronder
deze mensonterende toestanden plaatsvinden. Hoewel Van Rijn ouderenmishandeling signaleert en ons verblijdt met een treurig campagnespotje,
is hij van plan om tegelijkertijd miljarden te bezuinigen op de ouderenzorg
door 800 van de 2200 verzorgingshuizen te sluiten, waardoor duizenden
verzorgenden hun baan t.z.t. zullen verliezen. Ouderen worden aan de zorg van hun familie toevertrouwd en dan durft
deze Staatsman met droge ogen te beweren dat deze maatregelen de kwaliteit van zorg voor ouderen ten goede
zal komen. ‘Hij liegt: stelt Bert Keizer vast.
Uitgebaard en inmiddels de zeventig gepasseerd ben ik druk
aan het sparen. Neen niet voor meer pensioen. Ik spaar pillen,
antibraakmiddelen en sla de nodige flessen whisky in, om zodra de eerste
verschijnselen van enig functieverlies zich voordoen de weg van Moek
te gaan.
Het gaat jullie goed!
zaterdag 1 februari 2014
Mon Cherie
![]() |
| Cherie 2014 aquarel 30x40 cm |
Eind september 1998 stapte ze in mijn leven. Neen eigenlijk al eerder. Het was op de dag dat ik haar zag liggen drinken bij haar moeder Tessa, samen met zus Okkie en ze vanwege het licht dat door het weggetrokken gordijn plotseling op haar viel, naar mij blies. Dat kleine blazende bolletje poes daar viel ik voor. Ik heb nu eenmaal een zwak voor alles wat pittig is! Wat mij uitdaagt!
Daarnaast was ik er van overtuigd dat ze van het mannelijk geslacht was. Vraag me niet waarom? Vermoedelijk gewoon een misplaatst vooroordeel en ik traditiegetrouw mijn huis tot haar komst altijd met katers had gedeeld.
Onze poes Tom was al ernstig ziek, maar heeft toch nog een paar weken van haar speelse activiteiten mogen genieten. Samen met de kinderen bedachten we, mede door het misverstand, de naam Jerry en leefden we in de veronderstelling getuigen te mogen zijn van een leuk stripverhaal.
Niet dus! Jerry bleek een meisje te zijn en omdat wij haar niet met een identiteitscrisis op wilden zadelen hebben wij haar na de dood van Tom officieel als Cherie laten registreren.
Mijn kleine kattenkop is inmiddels vijftien jaar oud en de baas in huis. Ze laat haar plekje naast mij in bed niet afpakken door Jip, die in het holst van de nacht ook een beetje nestwarmte zoekt.
Ze gilt moord en brand als haar iets niet zint. Drinkt het liefst water uit de kraan en heeft mij niet vergeven dat ik de deur open heb gezet voor Mo, een toen vijf maanden oude kitten die vol vlooien en een paar soepogen op een dag in de herfst voor mijn deur stond te huilen.
Hooghartig en met opgestoken staart wandelt ze langs haar heen alsof ze lucht is!
Ja dat is Mon Cherie!
zondag 5 januari 2014
Portret van mijn ouders
Ik fotografeerde ze ergens in het begin van de jaren zeventig vorige eeuw afzonderlijk achter ons ouderlijk huis in de tuin.
Nu zo'n veertig jaar later verenigde ik hen in olieverf samen op een stuk canvas.
Wekenlang zocht ik naar wie ze waren. Mijn penseel aarzelend hangend voor het doek, sloot ik hun lippen. Opende ik hun ogen en zie...
mijn ouders.
maandag 30 december 2013
Forever Young
maandag 23 december 2013
Belichtingstijd: een goed verstand
![]() |
| Moeders handen |
Ze heeft er achteraf spijt van,
heeft ze me zojuist bekend, dat ze ons, haar kinderen, gestimuleerd heeft om te
gaan leren. Ik kijk met ongeloof naar haar. Naar haar mond die in een treurige
streep links en rechts naar beneden trekt. We zijn zo veranderd, zegt ze. Ze
kan ons niet meer volgen en vraagt zich af of wij er gelukkiger door zijn geworden?
Ik durf de reikwijdte van haar
woorden niet te vatten, de diepte van haar pijn niet te peilen. Eén klein kind
op schoot, een paar anderen tegen haar aangeleund zie ik haar weer voorlezen
uit het dikke vertelboek. Was je wat groter en kon je al lezen dan gaf ze je op
zondagmorgen een dubbeltje. Daarmee rende je na het kerkbezoek naar de R.K.Bibliotheek
om je favoriete boek te lenen. Wipneus en Pim, Daan de Eend, De vier
wonderkippen, Arendsoog, Pim Pandoer, Bob Evers, hele series heb ik samen met
mijn broertjes verslonden. Stijf tegen elkaar, gezeten aan de tafel midden in
de kamer, las ik met mijn broer Dirk of Otto urenlang in hetzelfde boek. Wie
het verst was zat rechts. Het verschil in pagina’s hielden we in een bundeltje
omhoog. Links gezeten las ik als een bezetene, liet blad na blad vallen tot ik
mijn broer minzaam kon meedelen dat we van stoel moesten verruilen.
Het was moeder die met Sint Nicolaas
of een verjaardag, behalve naar speelgoed, naarstig zocht naar jongens- en
meisjesboeken die pasten bij je leeftijd. Boeken waarvan mijn vader soms kwaad
riep dat het zonde was van het geld en dat zij ze in de kachel moest gooien,
omdat hij bang was dat wij ons verstand zouden verlezen.
![]() |
| Moeder rechts boven |
Mijn moeder was de oudste van acht
kinderen. Haar vader, mijn opa, werkte als boerendaggelder, een dagloner die
als knecht bij een boer het geld voor zijn gezin verdiende. Het verhaal gaat
dat hij in zijn jeugd onderwijzer wilde worden.
We leven eind 19e eeuw, de Franse Revolutie
ligt al een eeuw achter ons en het bloed aan de adellijke slagaders is al lang
geronnen. Toch is de plaats waar de wieg van mijn opa staat nog
altijd belangrijker dan de geestelijke vermogens waarmee hij wordt geboren.
Een geboorte die een drama is want
zijn moeder sterft. De kleine Dries zal opgevoed worden door een veeleisende en
koude vrouw, die aanvankelijk als huishoudster, later als de tweede echtgenoot
van mijn overgrootvader de plaats van zijn moeder inneemt.

Op een goed bewaarde foto, ergens in het begin van de twintigste eeuw staat opa in een weiland tussen koeien. In het midden zit de boer met zijden pet, schijnbaar een koe te melken. In haar donkere hoog dichtgeknoopte jurk, het lange haar gekapt in een wrong, staat links van hem de boerin. Ze draagt op haar arm – gezien de wijze waarop ze hem toont - haar lievelingshond. Verder naar links staat een jonge vrouw met een nog kinderlijk rond gezicht. Aan haar schort dat tot op de voeten valt, hangt een verlegen meisje niet ouder dan drie. Helemaal rechts op de foto dicht bij de sloot waar de emmers worden gespoeld staat opa. Gekleed in boerenkiel, platte pet op zijn hoofd, draagt hij in zijn rechterhand een met metalen banden omringde houten melkemmer. In zijn linkerhand houdt hij het melkblok klaar om onder een koe op de grond te zetten.
Het bezit van grond, van landerijen
bepaalt nog steeds de politieke macht. De boerenstand is oppermachtig en een
dagloner moet zich niets in het hoofd halen. Mijn opa zal zijn hele leven
werken als knecht, zijn verstand doet hij gelden in huiselijke kring. Ik
herinner me bijvoorbeeld hoe hij tijdens de verjaarvisites van vader en moeder,
heftig debatteerde met mijn ooms en
tantes over politieke issues, zoals het gevaar dat dreigde vanuit Rusland onder Stalin en of we nu wel
of niet onder de voet gelopen zullen worden door het communisme.
Mijn moeder keek hoog tegen haar
vader op. Opa was een principiële man die in huis de regels stelde, een
godvruchtige man ook die aan tafel vóór bad. Een man die precies wist waar
alles lag. Ieder stuk gereedschap, ieder schroefje en spijkertje had zijn eigen
plaats in het keurig opgeruimde schuurtje. Hij was een echte man, zei ze soms.
Niet te vergelijken met haar man, mijn vader, die zijn sokken nooit kon vinden,
die zijn kinderen voor deed hoe ze op hun hoofd moesten gaan staan en met hen
door het gras rolde als een nest jonge honden. In het begin van haar huwelijk
had ze hem gestimuleerd om net als haar vader vóór te gaan in het gebed. Hij
probeerde het één keer maar brak halverwege af. ‘Dat kan ik niet hoor,’ zei
hij, ‘dat moet jij maar doen.’
Daarmee gaf mijn vader het heft uit
handen. In ons huis was moeder de baas. Zij wist hoe het hoorde en wat goed was
voor iedereen. Waagde ze zich één meter buiten het tuinhek veranderde ze in een
verlegen, bijna schuwe vrouw.
De foto boven mijn bed geeft het prachtig weer. Tweede helft veertig en in hun zondagse kleren staan mijn ouders op de provinciaalse weg voor ons huis. Moeder zoekt bescherming achter vaders rug, onzeker kijkt ze over zijn schouder, terwijl een glimlach aarzelt rond haar mond. Vader heeft zich vierkant voor haar opgesteld. Hoed recht op het hoofd, brandende sigaret tussen de vingers, presenteert hij een brede lach.
Niet alleen opa, ook mijn moeder had een goed verstand. Ze vertelde ons dikwijls, dat ze op school een snelle leerling was geweest. Trots voegde ze er dan aan toe, dat de hoofdonderwijzer over haar had gezegd, dat het zonde was dat ze niet mocht doorleren, maar dat was in die tijd niet gebruikelijk. Het was voor een meisje, zeker uit een lagere stand, belangrijker dat ze een paar flinke handen aan haar lijf had. Moeders handen mochten er zijn en gehoorzaam als ze was ging ze zonder verzet op twaalf jarige leeftijd bij een familie onder dienst. Eén dag in de week keerde ze terug naar haar ouderlijk huis om oma te helpen, die een zwakke gezondheid had.
![]() |
| Deze foto staat boven mijn bed |
De foto boven mijn bed geeft het prachtig weer. Tweede helft veertig en in hun zondagse kleren staan mijn ouders op de provinciaalse weg voor ons huis. Moeder zoekt bescherming achter vaders rug, onzeker kijkt ze over zijn schouder, terwijl een glimlach aarzelt rond haar mond. Vader heeft zich vierkant voor haar opgesteld. Hoed recht op het hoofd, brandende sigaret tussen de vingers, presenteert hij een brede lach.
![]() |
Niet alleen opa, ook mijn moeder had een goed verstand. Ze vertelde ons dikwijls, dat ze op school een snelle leerling was geweest. Trots voegde ze er dan aan toe, dat de hoofdonderwijzer over haar had gezegd, dat het zonde was dat ze niet mocht doorleren, maar dat was in die tijd niet gebruikelijk. Het was voor een meisje, zeker uit een lagere stand, belangrijker dat ze een paar flinke handen aan haar lijf had. Moeders handen mochten er zijn en gehoorzaam als ze was ging ze zonder verzet op twaalf jarige leeftijd bij een familie onder dienst. Eén dag in de week keerde ze terug naar haar ouderlijk huis om oma te helpen, die een zwakke gezondheid had.
Goed kunnen leren werd ons familiewapen.
Het gaf mij en mijn broertjes een rechte rug. Wij hebben geen geld, ook geen
relaties die ons in bepaalde kringen voor kunnen dragen leerde ik ook mijn
kinderen; ons kapitaal zit in onze schedel. Mijn kinderen, ze zijn goed opgeleid, maar toch stel ik me sinds kort ook de vraag of ze er gelukkiger door zullen worden?
Nieuw verworven kennis, voerde ik
aan in mijn essay, zou alleen extra geluk betekenen voor kinderen van de
werkende klasse als zij hun identiteit konden behouden. Hun eigen taal mochten
blijven spreken, hun afkomst niet hoefden weg te moffelen en hun ouders niet te
loochenen. Zo niet, zouden steeds meer kinderen die zich buiten hun milieu
waagden vereenzamen. Het gevoel nergens bij te horen zou er toe leiden dat veel
van hen in een crises zouden raken.
Was het mijn eigen eenzaamheid
waarover ik sprak? Een schreeuw om aandacht voor dat gevoel van verlatenheid?
Een bijna niet te verwerken rotgevoel noemde Julia het in één van haar brieven.
Ze verdacht mij ervan dat ik het moest kennen: ‘Altijd wanneer ik me angstig
alleen voel in de rechtvaardiging van mijn bestaan tegenover andere mensen,
schrijf ik in gedachten aan jou. Ik hou me vast aan de woorden, aan de zinnen
om de illusie van niet alleen staan te beleven.’
maandag 25 november 2013
Belichtingstijd: geruite overhemden en manchester broeken

Carte postale staat er gedrukt op de achterkant van twee oude foto’s die ik van mijn vader heb gevonden. Op de één poseert hij met drie andere mannen en een jongen – een kind nog bijna – in een suikerbietenveld. Een van de mannen, gekleed in wit overhemd, opgerolde mouwen en een stropdas, is vast de baas waar vader zeven dagen in de week voor werkt. Op de achtergrond staat de glazen kas waarin hij op de andere foto met dezelfde mensen is afgebeeld, nu tussen jonge tomatenplanten.

De foto’s zijn van vlak voor of aan het begin van de tweede wereld oorlog genomen. Vader, sigaret tussen de vingers en al helemaal kaal, draagt een alpinopet scheefgetrokken op zijn hoofd. Onder die pet heb ik zijn gezicht langzaam oud zien worden. Nu nog jong moeten bretels ervoor zorgen dat zijn werkbroek niet langs het magere lichaam naar beneden glijdt.
Op de vakgroep ontwikkelingspsychologie heerste een geest van wat ik het best als het arbeiderisme kan omschrijven. Studenten vereenzelvigden zich met de werkende klasse en bevolkten de collegebanken gekleed in de geruite flanellen overhemden en grove manchester broeken waarin ik mijn vader naar de fabriek had zien vertrekken. Hij werkte in die tijd op een grofsmederij en stookte de ovens waarmee ijzer werd gesmolten bij een hitte van 1200 graden. Iedere keer als ik een student in zo’n blouse zag, rook ik het zweet van mijn vader. Niet een zeepmiddel bleek in staat om de penetrante geur van zijn zweet weg te wassen, een geur die in blauwgrijze dampwolken omhoog kringelde als mijn moeder zijn blouse stond te strijken.
Het moet voor mijn ouders, mijn ooms en tantes een vreemde gewaarwording geweest zijn dat, precies op het moment dat zij het zich financieel konden veroorloven om zich netjes te kleden en zich realiseerden, dat wilde je erbij horen je jezelf in pak met overhemd en stropdas moest presenteren, de high society rond ging lopen in oude T-shirts en spijkerbroeken met ingezette stukken.
Het moet voor mijn ouders, mijn ooms en tantes een vreemde gewaarwording geweest zijn dat, precies op het moment dat zij het zich financieel konden veroorloven om zich netjes te kleden en zich realiseerden, dat wilde je erbij horen je jezelf in pak met overhemd en stropdas moest presenteren, de high society rond ging lopen in oude T-shirts en spijkerbroeken met ingezette stukken.
Het was niet alleen populair om in arbeiderskleren rond te lopen. Studenten, vooral de mannelijke, lieten ongegeneerd winden en boerden midden in gezelschap. Het waren normale lichamelijke processen en het was burgerlijk om je daar voor te schamen. Tijdens een eerdere opleiding voor verpleegkundige beweerde een docent sociologie eens, dat je thuis een plek moest zijn waar je zonder meer een wind kon laten. Ik had dat al heel revolutionair gevonden en herinnerde me met schaamte de afkeer die mijn vader bij me opriep als hij een wind liet. ‘Trek eens aan mijn vinger,’zei hij dan tegen een van mijn kleine broertjes en liet vervolgens gewoon een keiharde scheet. Mijn broertjes vielen altijd om van het lachen, maar ik hoopte op zo’n moment, dat hij niet mijn echte vader was.
Meest prominente windelater onder mijn medestudenten was Kor, de zoon van een dominee. Hij maakte deel uit van mijn introductiegroepje. Kor gaf zijn winden overal de ruimte en sprak, zonder ook maar met één oog te knipperen, gewoon door over sociologische vraagstukken als de conflicttheorie van Galtung waar we ons toen hevig voor interesseerden. De lucht was vaak niet te harden, vooral als er Chili con Carne op het menu had gestaan, een gerecht dat je bijna zonder uitzondering kreeg voorgeschoteld als er in een grotere groep samen werd gegeten. We deelden veel met elkaar en ik denk met spijt terug aan mijn lievelingsplaat: Aretha Now, waarvan Kor vond, dat hij die wel even mocht lenen. Ik heb de LP met soulmuziek van Aretha Franklin nooit meer teruggezien. Kortgeleden heb ik de The Very Best van haar op een cd’tje gekocht, maar haar stemgeluid klinkt minder mooi als wat ik mij herinner van die oude LP.
Als de dochter van een arbeider kregen mijn woorden in deze omgeving extra gewicht. Voor het eerst in mijn leven werd, wat ik wilde vertellen, belangrijk gevonden. Werd er naar mij geluisterd en later zelfs over mij geschreven: in de volkskrant door Ben Haveman, in het universiteitsblad door Wouter Noorderwier en in het boek Na Dennendal… dat Hans Spijker en Goof van de Wijngaart begin jaren tachtig schreven.
Een gewicht dat ik moest leren dragen, ik was daar niet toe uitgerust. In mijn opvoeding leerde men mij om te dienen, om te zwijgen. Ik werd door de nonnen op school in het kolenhok gestopt als ik hardop zei dat de kinderen van rijke ouders werden voorgetrokken.
Meest prominente windelater onder mijn medestudenten was Kor, de zoon van een dominee. Hij maakte deel uit van mijn introductiegroepje. Kor gaf zijn winden overal de ruimte en sprak, zonder ook maar met één oog te knipperen, gewoon door over sociologische vraagstukken als de conflicttheorie van Galtung waar we ons toen hevig voor interesseerden. De lucht was vaak niet te harden, vooral als er Chili con Carne op het menu had gestaan, een gerecht dat je bijna zonder uitzondering kreeg voorgeschoteld als er in een grotere groep samen werd gegeten. We deelden veel met elkaar en ik denk met spijt terug aan mijn lievelingsplaat: Aretha Now, waarvan Kor vond, dat hij die wel even mocht lenen. Ik heb de LP met soulmuziek van Aretha Franklin nooit meer teruggezien. Kortgeleden heb ik de The Very Best van haar op een cd’tje gekocht, maar haar stemgeluid klinkt minder mooi als wat ik mij herinner van die oude LP.
Als de dochter van een arbeider kregen mijn woorden in deze omgeving extra gewicht. Voor het eerst in mijn leven werd, wat ik wilde vertellen, belangrijk gevonden. Werd er naar mij geluisterd en later zelfs over mij geschreven: in de volkskrant door Ben Haveman, in het universiteitsblad door Wouter Noorderwier en in het boek Na Dennendal… dat Hans Spijker en Goof van de Wijngaart begin jaren tachtig schreven.
Een gewicht dat ik moest leren dragen, ik was daar niet toe uitgerust. In mijn opvoeding leerde men mij om te dienen, om te zwijgen. Ik werd door de nonnen op school in het kolenhok gestopt als ik hardop zei dat de kinderen van rijke ouders werden voorgetrokken.
Wetenschappelijk was men vooral geïnteresseerd in maatschappelijk bepaalde machtsverhoudingen, waarvan men dacht dat die een ongunstige invloed hadden op de ontwikkeling van de persoonlijkheid. Achterstandsituaties van bijvoorbeeld kinderen uit arbeidersgezinnen zouden de oorzaak zijn van slechtere schoolprestaties en een lage doorstroom naar de universiteit. Net zoals nu bij de allochtone bevolking probeerde men een deel van het probleem op te lossen door arbeiderskinderen al heel jong aan intensieve taalprogramma’s deel te laten nemen. Om op die manier hun vocabulaire en denken te vergroten met woorden en begrippen die meer aansloten bij de taal waarin het onderwijs werd gegeven namelijk die van de middenklasse.
In een vlammend essay: een geluid van de andere kant, nam ik stelling tegen die opgedrongen taalprogramma’s en veroorzaakte heel wat commotie met mijn uitspraak dat het niet ethisch was om een klein kind een andere taal te leren spreken dan thuis gesproken werd. Dat het verwerpelijk was om de lieve woordjes waarin een moeder haar kind koesterde tijdens het voeden en waarin ze het de eerste gedragregels bijbracht als niet goed genoeg te bestempelen.
Ik stelde de vraag of de vernieuwers van onderwijs wel begrepen wat er gebeurde met een kind als dat een andere woordenschat ging gebruiken dan gewoon was in een bepaald milieu? Het kind plaatste zich op dat moment buiten de gemeenschap waar het thuis hoorde. In de ogen van ouders, ooms en tantes ging zo’n kind naast zijn schoenen lopen. Het werd hoogmoedig en wilde niets meer met hen te maken hebben. In hun angst om het kind te verliezen zouden ze het belachelijk maken en dwingen om weer hun moers taal te spreken.
‘Jullie moeten gewoon blijven,’ hoor ik mijn moeder nog zeggen.
Abonneren op:
Posts (Atom)






