woensdag 27 januari 2010

Winters: nu & toen -2



Ik vraag me af in welke winter deze foto van mijn ouderlijk huis gemaakt is?
Niet dat grote huis gebouwd aan de provinciale weg, maar dat scheefgezakte bouwsel onderaan de dijk. En was het wel een winter? Wat rond neuzelen op de site van het KNMI levert interessante gegevens op. Ik bijvoorbeeld, heb nooit geweten dat het woord 'Winter' een samentrekking is van Water en Wit? Winter voor mij is, samen met Jip sjokken door de sneeuw, maar ook herinneringen aan mijn kinderjaren in en rond dit oude huis. Aan opstaan als het hard vroor.

Vader heeft de asla geleegd, de kachel opgestookt en de warmte van het eerste vuur verspreidt zich langzaam door de woonkamer. Moeder steekt haar hoofd door het zolderluik en roept dat wij op moeten staan. ‘ Oh, nee hè!’ kreunen en mopperen wij. Niemand, ook mijn zus en ik, willen het warme holletje, dicht naast elkaar, verruilen voor de oversteek op het koude zeil naar de amper verwarmde kamer beneden in het huis. De nikkelen kop van de kachel aan het voeteneinde in ons bed, de avond te voren nog heerlijk warm, voelt nu vijandig aan.
Met moeite openen we onze ogen en kijken tegen een witte bontkraag aan. De haartjes van de wollen deken, waaronder we liggen, zijn door onze adem ruig gevroren. Boven op de deken ligt een laag stuifsneeuw, die de noordoostenwind ‘s nachts door de kieren van het dak heeft gejaagd.
In het bleke licht van de lamp boven de eettafel zoeken wij onze kleren, die in keurige stapeltjes op ons wachten. Moeder trekt de overgordijnen open, maar waar de dag ervoor nog een gewoon landschap was, is nu een muur van ijs. De sneeuwkoningin heeft met een dikke laag winterbloemen ons huis betoverd. Ik ren naar het raam, volg met mijn vinger voorzichtig de contouren van varens en blaas zachtjes tot er een kleine opening, groot genoeg om met een oog door te kijken, ontstaat. In het licht van de lantaarnpaal twintig meter verder op de weg, vallen dikke sneeuwvlokken geruisloos naar beneden.

Ik wist ook niet dat iedere winter een koudegetal ofwel Hellmanngetal – genoemd naar een Duitse meteoroloog – krijgt, waarmee je in één oogopslag kan zien hoe koud een bepaalde winter was. Misschien wat saai maar ik leg toch even uit hoe ze aan zo'n getal komen.
Van iedere dag die God geeft wordt de gemiddelde temperatuur over het hele etmaal bepaald en vastgelegd. Het koudegetal wordt verkregen door alle gemiddelde etmaal temperaturen beneden het vriespunt over de periode 1 november van het voorafgaande gaande jaar tot en met 31 maart van het volgende jaar bij elkaar op te tellen. Het minteken wordt weggelaten. Het koudegetal voor de winter 2010 beslaat dus de periode 1 november 2009 tot en met 31 maart 2010.

Als je de foto boven aanklikt en goed kijkt, zie je achter ons huis, achter al die schuurtjes die mijn vader aan het huis heeft geplakt en voor de grote kippenschuur van Bosch, een witte stacaravan.Mijn oudste broer was daar, vanwege de enorme woningnood, gehuisvest van mei 1960 tot mei 1965 en kreeg er samen met zijn vrouw drie dochters.
De foto kan dus heel goed gemaakt zijn in winter van 1963. De strengste winter sinds 1900 met een koudegetal van 345.9 en 80 sneeuwdagen.Maar het was ook een van de zonnigste winters.


Op de foto hieronder in startpositie mijn twee jongste broers. Ze schaatsen op de dichtgevroren polderslootjes tussen de weilanden achter ons huis. Op die slootjes hebben de meeste kinderen uit ons gezin leren schaatsen. Schaatsen was een serieuze zaak; iets dat bij je opvoeding hoorde.

Ik zit weer op de eettafel en wacht tot het mijn beurt is. Uit de houten zeepkist, die de hele zomer ergens op de zolder heeft gestaan, zoekt mijn vader een paar schaatsen op mijn maat. Een paar doorlopers of blokschaatsen. Zwierschaatsen zijn voor mij nog te moeilijk. Hij bindt ze onder mijn schoenen, zo stevig dat de stugge oranje banden mijn enkels bijna afknellen. Daarna worden mijn broertjes en ik, de een na de ander, op zijn rug naar de sloot achter ons huis gebracht. De beginners krijgen een keukenstoel mee om zich overeind te houden.
'En nu schaatsen!' Was min of meer het bevel tot het duister een excuus was om naar binnen te mogen. Soms huilend van de koude handen. Moeder wachtte je op. Pakte je handen stopte ze onder haar armen tot in haar oksels toe en hield ze daar totdat je je vingers weer een beetje kon bewegen.


Neemt niet weg dat het jongetje rechts tot tweemaal toe de elfstedentocht heeft uitgereden.

donderdag 21 januari 2010

Winters: nu & toen



Net wakker kijk ik door het raam, naar weer een witte wereld. In een paar uur tijd heeft mijn buurt haar grauwe kleed afgelegd en toont zich nu als een nog maagdelijke bruid. In mij ontwaakt het kind met al zijn energie. Een laag sneeuw werkt beter als prozac of een ontbijt voor een lamp met blauw licht. Kort daarna loop ik langs het bevroren water van de sloot, die de grens vormt met 'Ons Buiten'. Ooit een volkstuinencomplex ver buiten de stad. Nu ingelijfd de groene long van een vinex-wijk. Jip, naast mij, tilt iedere paar stappen zijn poot op. Een spoor van gele gaten achtervolgt ons in stilte. Het meest wonderlijke van een stadswijk in de sneeuw is de afwezigheid van geluid. In het sneeuwlandschap onderga ik de zwijgzaamheid van de dove.

Een wandeling met Jip 's morgens begint altijd met een kijkje op mijn tuin. Nu de grond steenkoud is, heeft tuinieren geen zin. Mijn planten wachten ijzig en in zichzelf gekeerd op zachtere temperaturen.
De foto hierboven, maakte ik eind december. Even dacht ik, dat ik op het landgoed Varykino uit de film 'Dr. Zjivago' terecht was gekomen. Door de halfbevroren ramen heen meende ik zelfs het silhouet van Omar Sharif te zien. Hij zat, in zijn rol van Yuri, aan mijn tafel en schreef gedichten voor Lara. Eenmaal binnen in mijn tuinhuis kwam ik tot de conclusie dat het de Sneeuwkoningin moest zijn geweest, die mijn kleine paradijs had omgetoverd in een sprookje van Andersen. Ik herkende haar toverkracht in de ijskristallen die op de ramen als exotische bloemen uiteen waaierden. Niet zo dik als in mijn jeugd, maar toch! Heel voorzichtig volgde ik met een vinger de contouren en reisde terug, door de tijd naar een oud scheef huis aan de rand van een klein dorp, waar ik ooit leefde samen met mijn vader, moeder, acht broertjes en zusje.


donderdag 14 januari 2010

Winterland

Iedere dag maak ik een flinke wandeling met Jip. Sinds de wereld om mij heen veranderd is in een spel van licht, frisse lucht en heldere inzichten is mijn winterdepressie gesmolten samen met de overtollige sneeuw.
Deze serie foto's maakte ik terwijl we wandelden over het Hoogekampse Pad even buiten de oostkant van de stad Utrecht. Vanuit mijn huis is dat ongeveer 20 minuten lopen. Fantastisch toch! Wonen in een stad en tegelijkertijd zo dicht bij de natuur!

vrijdag 25 december 2009

Kerstgedachten



Zo wit, zo stil na de storm over de opwarming van de aarde. Zo wit, na één spuitje om te gaan slapen, zo stil na één om niet meer op te staan. Vol van verwachting!

Zal het straks nog wel lente zijn?

Met beide ogen open toch blijven hopen,
ik wens het jullie toe. Allemaal.

Sagita

zaterdag 5 december 2009

Mijn kleine oorlog


Hongerwinter                                                                                                             pentekening in kleureninkt 1988

Onlangs de DVD over de slag om 'The Somme' gekocht. 1 juli 1916: tweehonderdduizend jonge mannen, soms nog kinderen, wachten op een fluitje dat hen van loopgraaf naar loopgraaf dwingt. Een fluitje van een cent verwoest op één dag de levens van 25.000 Engelse, Franse en Duitse soldaten: verloofden, echtgenoten,vaders en zonen. De meesten van hen vallen al in het eerste uur. Velen sterven onnodig, verbloeden in het met prikkeldraad afgezette stuk niemandsland terwijl ze vergeefs om hulp roepen.

Ook de Tweede Wereld Oorlog is weer een hot item. In 9 afleveringen zend de NPS op zondagavond 'De Oorlog' uit, verrijkt met brieven, dagboek fragmenten en filmbeelden materiaal afkomstig van ooggetuigen, van burgers die de oorlog bewust meemaakten. De productie '13 jaar in de oorlog' moet de oorlogsbeelden geschikt maken voor jonge kijkertjes.

De DVD-recorder aan kijk ik. Zie drommen vliegtuigen in zwart-wit in het luchtruim. Omlaag vallende bommen. Rotterdam een grote vuurzee. De Arbeitseinsatz. Razzia's. Joodse mensen; mannen,vrouwen en kinderen, compleet met davidsster en één koffertje, weggevoerd als vee. Naakte mensen met in de verte rokende schoorstenen. Uitgeputte soldaten met omhooggestoken armen. Mensen die zwerven langs wegen opzoek naar voedsel. Het beeld van het jongetje, doodgeschoten voor een bakkerswinkel omdat hij een brood heeft gestolen en daar ter afschrikking een hele dag moet liggen met naast hem het bordje 'Ik ben een dief', blijft op mijn netvlies hangen.

Ik raak geëmotioneerd van beelden - uit welke oorlog dan ook – van moeders met in hun armen uitgemergelde kinderen. Moet huilen als ik de grote doffe ogen in het oude gerimpelde kindergezicht ontmoet. Alsof ik kijk naar mijn eigen kleine geschiedenis.

In de oorlog was ik een kind, nog zo klein, dat ik geen echte herinneringen heb. Geboren in september 1941 zijn het slechts fragmenten. Een flits van een in soldatenkistje geschoeid been. Een beeld van een soldaten cap. De beetje zurige geur van soep uit de gaarkeuken. Een vage herinnering dat ik in de huiskamer op een potje, moeite heb om rechtop te blijven zitten. Verder zijn er de geluiden, maar die herinner ik me alleen zoals dat met het beantwoorden van multiple choice vragen gaat: je herkent het goede antwoord.
Alleen als ik de geluiden hoor van de Engelse bommenwerpers, die iedere nacht laag over ons huis vlogen op weg naar Duitsland en van de V1's en V2's die de Duitsers vanuit het Haagse bos naar Engeland afvuurden, weet ik het weer. Raak ik gespannen.

De Tweede Wereldoorlog is voor mij een slecht geschreven boek: allemaal losse eindjes. Misschien verklaart dat mijn fascinatie. Mijn verlangen om te willen weten en te begrijpen. Het is alsof ik steeds opnieuw als kind het litteken op mijn voet ontdek en van mijn moeder moet horen dat ik als tweejarige een ketel kokend water over me heen trok. Dat het gelukkig bij eerste- en tweedegraads verbrandingen bleef omdat zij mij meteen in de gootsteen onder de koud waterkraan heeft gelegd. Niettemin moest ze mij, van de huisarts die een week later vanuit zijn onderduikadres een bliksembezoek bracht, alsnog naar het ziekenhuis brengen. Ze had er bij de nonnen op aangedrongen om me goed te kammen. Ik had een paar luizen maar zij hield dat goed bij. Toen ze me later weer bezocht lag ik geïsoleerd op een badkamer. Mijn voortdurende huilen stoorde de andere kinderen op zaal. Na ruim een week adviseerden de nonnen mijn moeder om me weer mee naar huis te nemen. De brandwonden genazen, maar verder ging het niet goed met mij. Mijn moeder was nog steeds verontwaardigd: 'Helemaal onder de luizen'.

Mijn kleine oorlog is als het litteken op mijn voet. De getuigenis dat ik het heb meegemaakt zonder dat ik het weet. Het kan begrijpen.

woensdag 25 november 2009

Romeo E Giulietta

Uw Kinderen zijn niet Uw Kinderen
Zij zijn de Zonen en Dochteren van het Verlangen
van het Leven naar zichzelf.

Zij Komen door U maar niet van U
En hoewel zij bij U zijn
behoren zij U niet toe.

U Kunt hen Uw liefde schenken
maar niet Uw gedachten.

U Kunt hun lichamen een tehuis bieden
maar niet hun Ziel.

Want hun Ziel woont in het huis van Morgen,
dat U niet kunt bezoeken
zelfs in Uw dromen niet

U kunt er naar streven als zij te zijn, 

maar Probeer hen niet te maken zoals U bent, Want het Leven gaat niet terug, noch verblijft het bij gister.












Deze woorden van Kahlil Gibran staan op de achterkant van de afgebeelde kaart. Dienah, een oudere vriendin, heeft ze in sierlijk (half blok, half aaneen) handschrift opgeschreven: Voor Sagita 14 september 1986. Het is de dag voor mijn verjaardag en ik ben ruim drie maanden zwanger van mijn jongste zoon.
                                                                     ***

'Mam,' vraagt David: 'Heb jij nog iets van Bert Thiecke?'

Mijn gedachten keren terug naar gisteren, toen David nog niet geboren was. Naar de stormachtige periode in mijn leven, waarin niets hetzelfde bleef. Tweede helft jaren zeventig, de tijd van demonstreren en praten is voorbij. We willen actie en zetten zelf de verandering in gang. Vormen werkgroepen, gaan aan de slag in wijken en buurten. Zelf werk ik mee in een wijkwinkel, een rechtswinkel en zet een gezondheidsproject op. Alles met doel om mensen kennis aan te reiken, ze mondiger te maken waardoor ze minder afhankelijk zijn van de bestaande hulpverlening en autoriteiten. In die periode leer ik bijzondere mensen kennen waaronder Bert. Terugkijkend, denk ik, dat we in dit proces zelf het meest veranderen. Mensen sluiten zich aan bij Bhagwan, homo's springen met bosjes uit de kast en vrouwen worden bewust ongehuwd moeder, waaronder ik zelf. In Een Verre en Hete Zomer verhaal ik over de rol, die Bert daarin speelde. Een paar jaar later is alles voorbij.

Bert wordt in de zomer van 1983 door zijn ex-vriend Stephen met een messteek in de hartstreek om het leven gebracht. Stephen neemt daarna een overdosis aan medicijnen in, afkomstig uit de huiartsentas van Bert.
'Twee Nederlanders dood in tent op camping in Italië,' kopten de kranten.

'Bert Thiecke?'
'Ja, ik moet dit blok voor school een korte documentaire maken.'

David volgt een opleiding voor filmmaker en wil nu – ruim 25 jaar later – daar een film over maken. Twee dagen lang keer ik mijn huis om. Op zoek naar sporen van Bert. Ik weet toch bijna zeker dat ik laatst, ook tijdens een speurtocht naar oude krantenknipsels, zijn rouwkaart nog in mijn handen heb gehad.
Verwachtingsvol trek ik iedere witte enveloppe met grijze rand uit de stapels nieuwjaarswensen, vakantie- en verjaardagskaarten, die ik in de loop der jaren trouw heb bewaard en die nog steeds wachten op een plaatsje in een album of toch maar de papierbak in.

Ik doorzoek zelfs de rode plastic Blogger box waarin de nalatenschap van moeder rust en constateer dat ik die bewaar-tic van geen vreemde heb. Krantenknipsels, kaarten, bidprentjes en ja veel rouwkaarten van ooms, tantes van mijn vader en van mijn broer. Onderin een bundeltje ouderwetse wensen, in fraai handschrift geschreven door een leerkracht en voorzien van mooie plaatjes, die wij als kind ter gelegenheid van een feest voor onze ouders plachten op te zeggen.

De rouwkaart van Bert vind ik niet. Alleen een kaart van zijn familie uit een plaats gelegen in het noorden van het land met dank voor de getoonde belangstelling. Ik begin er nu zelfs aan te twijfelen of ik wel ooit zo'n kaart heb ontvangen? Wat wist zijn familie over zijn leven hier? Over zijn vrienden, over mijn bestaan?

Ik realiseer me dat ik ben vergeten hoe oud hij was en heb moeite met het voor de geest halen van zijn gezicht; blond, lichte ogen, vermoedelijk lenzen, zachte uitstraling met soms een ironisch trekje om zijn mond. Echt scherp krijg ik zijn trekken niet. Ik heb hem nooit meer gezien. Bert is een van die mensen waar ik geen foto van heb.

In mijn dagboeken begin ik af en toe met een brief aan zijn familie. Vertel dat ik Bert mis en vraag om een foto, waarmee ik de herinnering aan hem levend wil houden voor mezelf en voor mijn kind. De laatste poging is gedateerd mei 1988. Aram is dan zes en David - inmiddels geboren - alweer ruim een jaar. Uiteindelijk heb ik nooit een brief aan de familie verstuurd.

Ons rest een zilveren bekertje met Aram's naam erin gegraveerd. Een geboorte geschenk van Bert en een aantal kaarten door hem aan ons verstuurd. Vanuit verschillende vakantieoorden zendt hij ons zijn lieve groeten en spreekt de hoop uit dat hij ons spoedig weer zal zien.
                                                                          ***

Tijdens mijn zoektocht naar 'iets' van Bert vind ik de kaart van Dienah. Uitgetypt vind ik de tekst minder indrukwekkend. Dat de ziel van mijn kinderen woont in het huis van morgen, waar ik ze niet kan bezoeken, blijft hangen.

David zit vol plannen. 'Mam!' Belt hij me op. 'Weet je wat ik ontdekt heb!'
'Nee.'
'Bert en Stephen waren in Verona. Ze bezochten daar de opera en weet je hoe de camping heette waar ze verbleven?'
'Geen idee.'
'Romeo E Giulietta!'

dinsdag 24 november 2009

De dood van Jaap



Ik zet zijn geschilderd portret op de bovenrand van de eiken boekenkast met de glas-in-lood deurtjes. Na de verhuizing heb ik het niet meer opgehangen. Ik vond het terug in een lade onder mijn bed. Een grijs laagje stof bedekt de gele en bruine okers, de gebrande siënna, omber en streekjes vermiljoen. Alleen zijn trui heeft de kleur van groene aarde.
    Zacht blaas ik over het oppervlak. Mijn lippen beroeren zijn kin met het familiekuiltje, zijn wangen, smal voorhoofd en tenslotte zijn mond. Daarna wacht ik. Hoop ik nog altijd op een wonder?

Mijn broer Jaap verongelukt op de dag dat de kerkklokken beieren voor de begrafenis van een twintigjarige dorpsgenoot. Deze jongen heeft zich, in jeugdige overmoed, met zijn auto letterlijk in stukken  gereden. ‘Niets aan af te leggen,’ heeft de begrafenisondernemer de geschokte ouders meegedeeld.  De kist blijft gesloten. Het hele dorp treurt en Jaap is namens de jongerensociëteit naar een bloemist voor grafwerk gegaan. Hij heeft een zwarte krans  opgemaakt met witte aronskelken uitgezocht. 

In het voorjaar van 1971 woon en werk ik in Hilversum. Daarnaast volg ik een opleiding VWO aan het Goois Avondlyceum. Drie avonden in de week pak ik mijn boekentas en vergaar alsnog de kennis die ik in mijn jeugd heb gemist. 
         Het is op een woensdagavond tijdens de natuurkunde les dat de conciërge  aarzelend de klas binnenkomt. Hij wisselt fluisterend een paar woorden met de leraar voor het bord, die juist op het punt staat om ons de breking van licht door een prisma uit te leggen. De hand van de leraar met krijtje erin zweeft nog boven zijn hoofd, als hij zich omdraait  en tegen mij zegt: ‘mejuffrouw Vogelaar er is telefoon voor u.’
         Met mijn blikken gefixeerd op het krijtje in de lucht cirkelen de woorden in mijn hoofd:  er is telefoon voor u? Telefoon? Voor u? 
         Ik maak geen aanstalten om mijn plaats te verlaten.  ‘Dat kan niet,’ antwoord ik.
         ‘Echt er is telefoon voor u.’
         Ik vraag me af of hij weet dat zijn arm nog steeds omhoog staat? Dat het krijtje zinloos als een gedoofde sigaret tussen zijn vingers uitsteekt? 
         ‘Wie zou mij hier willen  bellen?’
         ‘Gaat u nou maar.’
         Misschien moet ik het zeggen: meneer uw krijtje...
         ‘Het is een vergissing. Het kan niet. Niemand zal  mij hier  bellen.’ 
         ‘Toch wel. Er is telefoon.. U kunt hem opnemen in de gang.’
         Het krijtje zakt omlaag. Eindelijk! .
         ‘Kom de conciërge zal u hem wijzen.’
         Ik volg de conciërge naar de gang waar in een hoek de hoorn op een plankje onder de telefoon op mij ligt te wachten.
         ‘Ja hallo! Met wie?’.
         ‘ Ik ben het Jana,’ antwoordt mijn broer  Dirk.’ Je moet naar huis komen!’
         ‘Naar huis komen! Ik zit midden in een natuurkunde les.’ Hoe haalt mijn broer het in zijn hoofd? Mij hier bellen en zeggen dat ik naar huis moet komen. Ik kan deze lessen helemaal niet missen.
          ‘Je moet komen Jana. Jaap heeft een ongeluk gehad.’




Jaap, een van mijn jongere broers heeft een ongeluk gehad? Jaap, die op voorhand iedere concurrentieslag die hij met Ward - zijn één jaar oudere broer – aangaat verliest.







Die vrede wil stichten als zijn jongere broers Freek en Louis samen op de vuist gaan. Die onvermijdelijk de klappen krijgt omdat Freek en Louis zich vervolgens als één man tegen hem keren.













Die zichzelf gitaar leert spelen. Die als basgitarist in een band twee jaar rondzwerft langs de Franse - en Italiaanse Rivièra en leeft... Leeft waarvan? Jaap zijn zakken zijn altijd leeg. Regelmatig stopt mijn moeder hem een paar gulden toe: ‘jongen pas toch beter op je geld.’
    ‘Je lijkt wel gek! Van mij krijgt hij niets meer!’ Roept mijn vader.
    ‘Het komt wel goed moeder. Maak je over mij maar geen zorgen,’ antwoordt Jaap steevast. Drieëntwintig is hij nu.


    
    ‘O jee. Toch niet erg?’
    ‘Ja heel erg.’
    ‘Maar hij is niet dood hé?’
    ‘Ja, hij is dood.’
    ‘Nee, dat is niet waar?’
    ‘Ja, wel.’










Het mes snijdt overal doorheen. Kerft mijn borstbeen. Treft mijn middenrif. Mijn maag kantelt als een  scherpe steen  in mijn buik, draait zich om en om en om. Heen-en-weer slingerend als een schip  op de golven van een woeste zee probeer ik overeind te blijven. Niet toegeven. Niet overgeven. Ik moet naar huis. Ik moet naar Jaap.


Hilversum - Leidschendam. Een afstand van tachtig kilometer. Met hoge snelheid rijdt de medeleerling  me naar huis. Spontaan heeft hij het aangeboden. In het donker op de snelweg probeer ik me een voorstelling te maken. Jaap is dood.  Door wat? Door wie? Waar?  Is het wel een ongeluk?  Hij kan zo mistroostig voor zich uit zitten staren. Hij zal toch niet... ?   Jaap is niet echt gelukkig met het burgerlijke leven dat hij na zijn terugkeer uit het buitenland moet leiden. Alleen als hij in de  weekenden  mee kan spelen in een band leeft hij even op. 

         In ons ouderlijk huis tref ik mijn broers, zus en andere verwanten  met rood opgezette ogen. Ze wachten op mijn ouders. 
In de hal van het ziekenhuis, waar Jaap naar toe is gebracht, zitten mijn ouders aan elkaar vastgeklemd op een houten bank stram tegen de muur. Is er één of zijn er twee uur verstreken?
         Eindelijk komt een dokter in hun richting lopen: ‘Meneer en Mevrouw Vogelaar?’
         ‘Ja,’als één man staan ze op.
         ‘Helaas  hebben we weinig voor uw zoon kunnen doen.’
         Niets kunnen doen? Waarop hebben ze dan al die tijd gewacht? Niet begrijpend gaan ze met hem mee. Lopen door eindeloze gangen die grijzer en grauwer worden. In het mortuarium slaat de arts het laken terug dat over een stille gestalte op een brancard ligt uitgestrekt: ‘is dit uw zoon Jacob?’

         ‘Jaap!’ Het klinkt als uit één mond.

Hoe vaak heb ik daarna in mijn gedachten die laatste rit samen met mijn broer gereden? Ben ik na z’n werk  naast hem in de kleine mini gestapt?
          Diept zijn gezicht uit mijn herinnering op. Kijk ik naar de witte lok haar op zijn voorhoofd die fel afsteekt tegen zijn donkerblonde haar. Een stukje huid zonder pigment. Daar is hij mee geboren. Op zijn buik heeft hij nog een veel grotere plek. ‘De verf was op toen vader en moeder eindelijk aan jou toe kwamen,’ plagen wij hem. 
         Zie ik zijn smalle handen het stuur dan naar links, dan weer naar rechts trekken: de wielen in de richting van de provinciale weg draaien die dwars door ons dorp loopt.
         Bijna een jaar nu heeft hij zijn rijbewijs. Blij en trots dat hij voor iemand wat kan betekenen geeft hij gehoor aan  ieder  verzoek om een lift.
         ‘Jaap, ik heb de bus gemist. Kan je me even brengen?’
         ‘Jaap,  we willen graag even bij Tante Annie op visite. Zou je ons vanavond daar op willen halen?’
         ‘Jaap, ik heb zoveel bagage zou jij me naar mijn kamer willen brengen?’
         ‘Jaap, het is zulk slecht weer. Wil je ons even naar de kerk rijden?’
         Jaap zijn bruine ogen  glunderen. Zijn plaats  in de hiërarchie van ons ouderlijk gezin is door de auto  aanzienlijk gestegen.

Om de paar minuten rijdt het verkeer op de andere baan ons in kleine files van drie, vier auto’s tegemoet. Een paar kilometer verderop wordt er aan de weg gewerkt. We naderen ons dorp. In de verte doemt het huis op van de familie Poel dat  door zijn ligging in een bocht ons het zicht op de weg ontneemt. Ik verheug me erop. Eenmaal door die kromming strekt het landschap van mijn jeugd zich voor mij uit. Links en rechts boerderijen. Ophaalbruggen. De vaart waarin we zomers visten en waarop we schaatsten in de winter als het vijf nachten stevig gevroren had. De weilanden. De schapen met hun lammetjes.  Het scheve huis waar  Jaap als enige geboren is.
         Het oude huis bestaat niet meer: te diep verzakt, te nat en te weinig comfort  biedend, is het tot de grond toe afgebroken. Vader en moeder zijn met hun nog thuiswonende kinderen naar een doorzonwoning in de dorpskern verhuisd. Een hoekhuis met grote tuin en slaapkamers. Droog en ruim, maar er is geen planken zoldervloer met kieren en kwasten waarop ik mijn voeten neer kan zetten  zonder ze te laten kraken. 
         Nog even en we zijn thuis. Jaap stuurt zijn kleine auto de bocht in. Op de linker weghelft komen  een aantal auto’s  ons tegemoet rijden. Twee vrachtwagens en...
         ‘Pas op Jaap! Kijk uit! Die gek in die stationcar haalt die laatste vrachtwagen in. Remmen Jaap hij zit op jouw helft! Harder Jaap straks knallen we erbovenop!’

In mijn verbeelding hier aangekomen, verlaat ik zijn auto.  Alleen  mijn broer Jaap verongelukt. Remsporen laten zien waar  in de  bocht de wielen van de mini in de berm langs de weg glijden. Waar Jaap vecht voor zijn leven. Hij uit alle macht stuurt om de auto weer op de weg te krijgen. Zijn voet  van het rempedaal schiet. Hij de controle over de auto verliest. Deze zwenkt terug de weg op. Botst boven op een tegenligger met twee passagiers.

         Ik probeer de klap te voelen waarmee zijn voorhoofd tegen de ruit aan knalt.Kijk naar zijn witte lok die langzaam roze kleurt. Minutenlang  lig ik met ingehouden adem stil op bed.


Jaap wordt nog diezelfde week op  zaterdag  begraven. De dag ervoor geeft  justitie zijn lichaam vrij. Als slachtoffer van een verkeersdelict waarvan de dader is doorgereden, hebben ze zijn kist verzegeld. Om beurten kijken we naar Jaap door een raampje dat in het deksel zit. De broeder in het ziekenhuis heeft gelijk: ‘eigenlijk weinig aan te zien.’  In huis is het bijna een vrolijke boel. De huisarts heeft een grote pot met valiumtabletten voorgeschreven, waar we allemaal gretig van snoepen. Moeder huilt en lacht tegelijkertijd terwijl ze zegt: ‘nu staat die jongen de hele nacht alleen in de kerk terwijl ik hem er  anders met geen stok naar toe kan slaan.’

         Op het altaar spelen  jonge mensen  popmuziek. Jaap zijn roodgelakte en met witte rand afgewerkte  basgitaar staat  onberoerd tussen hen in. ‘Blowing in de Wind,’  zingt de hele gemeenschap als we Jaap aan het einde van de mis naar het kerkhof  brengen. Jaap wordt bijgezet in het graf waar drie dagen eerder de twintigjarige jongen is begraven. 

De zondag erna keer ik terug naar de begraafplaats. Het graf is toegedekt. De bloemstukken van de jongen en van Jaap liggen innig vermengd op de vers omgekeerde aarde. In het midden prijkt de zwarte krans met aronskelken.