zondag 30 juni 2013

Belichtingstijd: De warme zomer van 1975





De foto’s die ik van Julia heb gevonden, beslaan een periode van negen jaar. De vroegste is genomen in 1972. Het is Hemelvaartsdag, de dag waarop volgens katholieke traditie kinderen hun eerste communie doen. Julia zit op een houten klapstoel in het eenvoudige interieur van mijn oudste broer. Op haar schoot, mijn nichtje Roos gekleed in een wit-kanten jurkje. Roos’ blonde haar, gekapt in een Franse paardenstaart en opgemaakt met witte bloemen, vormt een scherp contrast met de donkere wijduitstaande haardos van Julia. Roos kijkt met  grote ogen recht in de lens van de camera. Trots toont ze het vlammetje, dat ze ontfutseld heeft aan de aansteker in haar hand, terwijl ze wacht op de sigaret die Julia rolt uit een pakje shag. 

Driemaal Julia op stukjes papier niet groter dan een pasfoto, afkomstig van proefstroken waarmee we de juiste belichtingstijd bepaalden voor we tot de definitieve afdruk overgingen. We leven een jaar later en zwoegden voor ons eindexamen VWO. Aan de omgeving te zien staat ze in de tuin van het huis in Bussum waar ze in die tijd op kamers woonde. Haar handen stevig geplant in haar zij, springen haar tepels dwars door het velours van haar vest heen uitdagend naar voren. 
Opvallend ook hoe jeugdig rond haar gezicht, hoe zacht haar kaaklijn nog is. Ik ben helemaal vergeten dat ze zo kon stralen, zo vrolijk ook kon zijn.

Zomervakantie 1975. Bergen aan Zee. Ingetogen, verlegen bijna, haar handen losjes tussen haar dijen in het zand, zit Julia in lotushouding op het strand. Ze paste op het huis van haar zus en had mij samen met de dochters van mijn oudste broer uitgenodigd, om haar een week gezelschap te houden. Op één dag fietste ik, samen met de kinderen, de 100 kilometer om van mijn geboortedorp naar Alkmaar te komen. 
Vanaf Katwijk voerde de tocht over fietspaden gelegen vlak onder en langs de kust van de Noordzee. Duin op, duin af, reden we helemaal tot aan IJmuiden. Roos, nog maar tien jaar oud, duwde ik of ze liet zich, als mijn hand moe was geworden, voortslepen door zich aan mijn pols vast te klemmen. Haar zusjes van twaalf en dertien trapten zonderen mopperen op hun met bagage overladen oude fietsen.

                                         

                                        

Het prachtige weer bleef ons de hele week vergezellen. Bijna dagelijks waren we te vinden op het strand. Vaak ook zochten we verkoeling in de diepe en half verwilderde tuin achter het huis. Beschermd door met klimop begroeide muren trokken de meisjes naarmate de zon hoger en hoger klom, steeds meer kledingstukken uit. Nagenoeg naakt en op hun knieën gezeten wiedden ze het onkruid dat tussen de steentjes van het terras groeide. Dregden algen, kroos en een overschot aan waterplanten uit de visvijver en spetterden elkaar met de tuinslang nat.


Helemaal bloot werd het waterballet daarna in de douche voortgezet. Julia legde het feest vast op de gevoelige plaat. Het huis beschikte over een donkere kamer en samen keken we nog diezelfde avond naar het resultaat. Liggend op hun buik, een grijns van oor naar oor, steken drie hoofden net uit boven de rand van de douchebak. Roos, de enige met lang haar, heeft een enorme douchemuts op. Drie giechelende meisjesgezichten boven elkaar, kijken op een andere foto, langs de opengeschoven douchedeur heen. En tot slot natuurlijk de blote billen foto, die antwoord moet geven op de vraag: wie er, te zien aan de bikinilijn, het meeste bruin is geworden?














dinsdag 25 juni 2013

Belichtingstijd: Een bonte droom


Ik heb na lang zoeken een paar foto’s van Julia gevonden. De meeste zijn zwart-wit en vermoedelijk met haar camera genomen. Ik maakte bijna uitsluitend dia’s in die tijd. Dat was goedkoper en de geprojecteerde beelden vond ik mooier, maar wel lastiger, om naar terug te kijken. Bijvoorbeeld op mijn verjaardag als mijn broers en zus op bezoek kwamen en ik wat van mijn vakantie wilde laten zien.
    ‘We gaan toch geen dia’s kijken, hé?’ Werd al snel de slogan op mijn feestjes: ‘niet zo ongezellig hoor!’
    ‘Niet de hele avond in het donker!’
    ‘Een paar dozen maar?’ Bedelde ik dan en probeerde ze te verleiden met de aankondiging dat er ook mooie opnamen tussen zaten van mijn nichtjes en neefjes: hun kinderen.



Kinderen zijn mijn geheime wapen. Al heel jong zette ik het in om mijn eigen zin door te kunnen drijven. Maakte ik van mijn nood een deugd en bood mijn moeder aan dat, terwijl zij werkte in het huis, ik wel op de kleintjes zou letten. Ik nam mijn jongste broertjes mee naar buiten, waar ik zelf wilde spelen, en rende met hen en de drie buurmeisjes waar ik ook op paste, de graslanden in. Daar in de wijdheid van een Hollandse polder werkte ik aan mijn droom: een eigen circus. 




De fotootjes zijn gemaakt halverwege de jaren vijftig. Op een oude deken in het gras maken kinderen gymnastische oefeningen. Ze liggen op hun buik, duwen zich af met hen handen, strekken hun lijfjes, hangen met hun hoofd achterover en plaatsen hun voeten er in een boog bovenop. Ze zijn vier, vijf en zes jaar oud. Voor slangenmens leerde ik hen, moet je jong beginnen met trainen.
  

Behalve het rondreizende variété op de jaarlijkse kermis was een belangrijke inspiratiebron: De bonte droom van het Circus. Een album uitgegeven en gratis verstrekt door het Nederlandse Zuivelbureau te ‘s-Gravenhage. 

  

De ongeveer honderd plaatjes met afbeeldingen van beroemde circusfiguren, spaarde ik met de logo’s die op de zilverkleurige verpakking van roomboter waren gedrukt. Het was voor mij een geluk dat mijn moeder in die tijd aan galblaaskolieken leed. Sommige voedingsmiddelen zoals spinazie bijvoorbeeld had de huisarts haar ten strengste verboden, maar het gebruik van echte boter had hij juist voorgeschreven. Er stond bij ons dus iedere dag roomboter op tafel en zo kon ik sparen tot alle lege vakjes in het album waren opgevuld.

 Het circus, dat staat voor jeugd, voor eeuwig jong en lenig, heeft voor mij een extra herinnering gekregen: de geur van sterke boter, die zich hechtte aan mijn handen als ik de zegels uit de opgespaarde wikkels knipte.    

donderdag 30 mei 2013

donderdag 9 mei 2013

Belichtingstijd: Julia - slot





                                             


 Julia was voornamelijk gevormd door de enige liefde die ze kende, die van haar moeder. Ze noemde het een voorwaardelijke liefde. Alleen als ze voldeed aan het beeld van de ideaal dochter werd ze door haar moeder gewaardeerd. Haar moeder wilde geen zoon, maar het meisje dat zelfstandig, vrolijk, sterk, impulsief, intelligent, de man de baas was. Haar moeder wilde een dochter waarin zij een verlengstuk, een voortzetting van haar eigen strijd tegen de mannen vond. Ze bewonderde  Julia’s  scherpe analyserende kritiek op mensen en Julia’s  vermogen in extremen te leven, te lijden en anderen te laten lijden. Ze veronderstelde dat het een bewijs was van een diep emotioneel gevoelsleven. 

Julia noemde het de bewondering voor haar demon. De eerste tien jaar van haar leven had ze zich schuldig gevoeld als anderen haar prezen om haar liefheid en aardigheid, terwijl ze van zichzelf wist dat ze niet lief en aardig was. Daarna veranderde ze haar houding: bekende tegen iedereen haar gemeenheid, toonde hen die. Vanaf haar twaalfde jaar zocht Julia in andere  mensen naar hun zwakheden, naar hun negatieve eigenschappen, vergrootte deze uit en stelde ze aan de kaak. Ze wilde een leven van extremen. Kwaad, lijden, vreugde, goedheid, dat alles hoorde bij het leven, dacht ze toen, en alleen als ze in staat was dat te accepteren zou ze intensief en eerlijk kunnen leven.

Terugdenkend aan die tijd dacht Julia nu, dat haar moeder te intelligent was om het positieve in zichzelf en anderen als christelijke goedheid te zien. Het was wel terecht dat, de motieven uit haar psychische onderbewuste haar een gevoel gaven dat het ‘goede’ niet zuiver was, maar onterecht dat, zij zich daardoor van het positieve afwendde. 
Haar moeder, vertelde ze mij, maakte de vergissing positief aan goed te koppelen en het was juist daarom dat Julia Henry Miller zo fantastisch vond, omdat hij deze beide symbolen in hun betekenis aan elkaar ontkoppeld had. Anaïs Nin leefde met deze zelfde ontkoppeling van goed en positief maar streefde er tegelijkertijd naar het positieve in anderen en zichzelf te versterken omdat dit meer geluksgevoel zou geven.

Julia adoreerde Anais Nin en raadde iedereen in haar omgeving aan haar dagboeken te lezen. Ze gaf mij het eerste deel cadeau en vroeg steeds of ik het al gelezen had. Ik ergerde mij aan Anais’ liefheid en het literaire kringetje waarin ze zich bewoog verveelde mij.
Julia wilde dat niet accepteren. Ze verweet mij een zelfde soort liefheid, maar dat ik die niet doorprikte en niet erkende als neurose. Ze verwees mij naar ‘Scènes uit een huwelijk’ van Ingmar Bergman. In het bijzonder naar de scène waarin Liv Ullmann - in haar rol van Marianne – bekende, dat ze altijd lief was geweest, dat ze altijd had voldaan aan de wil van de ander en had geleefd zoals haar moeder of haar echtgenoot wilde. Dat ze leefde, maar nooit naar haar eigen wil en dat bezegelde met de woorden; ‘dat was mijn liefheid, vals en laf.’ 
 
Het was in de tijd dat iedereen hoog weg liep met het boek ‘fear of flying’ van Erica Jong. Julia begreep er niets van. Op pagina 33 aangekomen vertelde ze mij dat ze het een erg slecht boek vond. Ten eerste kon Erica Jong niet schrijven. De seks die ze beschreef liet haar volledig koud, terwijl Henry Miller of Anais Nin  hun woorden zo wisten te kiezen dat je wel opgewonden moest raken als je een erotische scène las. Ten tweede vond ze Jong cynisch, hard, agressief. Niet geïnteresseerd in mensen, alleen in het manifesteren van zichzelf en het uitleven van haar boosheid. Bovendien vond ze haar niet erg intelligent.
Het feit echter dat haar boek een bestseller was, wees er misschien wel op dat veel vrouwen zich van hun gekunstelde liefheid bewust werden. Deze bewustwording riep kwaadheid op. Kwaadheid op de man die hen zo graag in die rol zag.


Tot in de kleine uurtjes discussieerden we verder over man/vrouw verhoudingen, over de invloed van culturen, normen, waarden en wat dat alles voor ons - jonge vrouwen - betekende.  We wilden machtsverhoudingen veranderen en de wereld bereizen. Het persoonlijke werd politiek.
Julia had zich voorgenomen om nooit te trouwen, maar over een paar jaar wilde ze wel een kind. Ze fantaseerde dat wij, tegen die tijd, samen in één huis zouden wonen en dat ook ik een kind kreeg. Op die manier konden we onafhankelijk van mannen voor onze kinderen zorgen en tegelijkertijd het benodigde geld verdienen. 


Julia was de eerste persoon in mijn omgeving die de noodzaak van trouwen, voor het krijgen van kinderen, doorbrak.

vrijdag 3 mei 2013

Belichtingstijd: Julia



Foto’s. Ansichtkaarten. Herinneringen. Ze horen bij een bepaalde tijd: je was al weg uit huis of woonde nog bij je ouders, maar wel in de periode dat je grote broer al naar Brazilië was vertrokken. Je was nog een klein kind, of juist een moeilijke puber. Kennelijk trekken sommige megagebeurtenissen een grens in je geheugen, waardoor je persoonlijke geschiedenis in stukken uiteen valt. Er zijn gebeurtenissen in mijn leven, die niet alleen belangrijke historische momenten markeren maar, die van mij een ander mens maakten. Zo is de Jana  van: toen leefde Jaap nog,  iemand anders dan de Jana van: toen was Jaap al dood, en de Jana van: nog voor de kinderen, is iemand anders dan de Jana van: toen waren de kinderen er.

Julia leerde ik kennen op het Goois Avondlyceum in Hilversum, toen Jaap al dood was, maar het was nog voor de kinderen. Aan het begin van het voorlaatste schooljaar zat ze plotseling in de klas. Ze trok direct mijn aandacht. Groot. Uitspringende jukbeenderen. Ogen als kastanjes, die rijp van de boom gevallen, net uit hun omhulsel waren geplukt. Schichtig keek ze om zich heen. Zwart haar danste rond op haar schouders. Haar mond was als een hart van vlees dat klopte, terwijl ze praatte. Mooie Julia! Intelligente Julia! Ze las: Dylan Thomas, Henry Miller, Anais Nin met als tussendoortje Agatha Christie's en alles in het Engels. We werden vriendinnen; zaten in onze kamers met wat kussens op de grond, dronken kleine slokjes cointreau uit platte glaasjes en vertelden elkaar over ons ouderlijk nest.

De  moeder van Julia was een gerenommeerd schrijfster en  lid van De Pen, die, eenmaal bezig aan een boek, zich door niets of niemand liet storen. Julia herinnerde zich haar vooral als mammie die in een stoel met een schriftje op haar schoot geconcentreerd zat te schrijven. Het huis om haar heen verkeerde in grote wanorde en Julia, wijs geworden door de bevreemde blikken van vriendjes en vriendinnetjes, had geen speelkameraadjes meer mee naar huis durven nemen.

Haar twee jaar oudere zusje Titia zal zestien of zeventien jaar geweest zijn, toen ze het op een dag vertikte om uit haar bed te komen. Geduldig afwachten, vriendelijk vragen, boos worden, niets had geholpen. Titia trok het laken over haar hoofd en keerde haar ouders en de hele samenleving de rug toe. De spanningen in het gezin liepen hoog op. Artsen, psychologen en pedagogen werden geraadpleegd. Ten slotte waren ze bij de psychiater Jan Foudraine terechtgekomen, die in 1971 grote bekendheid zou krijgen met zijn boek Wie is van hout… Titia verbleef een jaar lang in zijn kliniek en Foudraine kreeg haar in letterlijke en figuurlijke zin weer aan de praat.
Julia had erg onder die situatie geleden. Behalve dat er nog minder aandacht voor haar persoon was geweest, verweet haar moeder haar, dat ze mede oorzaak was van het instorten van haar zusje. Zo zou Julia vanaf haar geboorte een zeer dominant kind geweest zijn, dat alle aandacht in het gezin voor zich alleen opeiste en haar zusje voortdurend had overvleugeld.

Op het moment dat ik Julia leerde kennen, was het huwelijk van haar ouders al gestrand. Pappie woonde samen met Tante Hetty en haar drie dochters. Julia had een hekel aan ze: Tante Hetty was een ijskonijn, waarvan ze de onzijdigheid benadrukte door over haar te spreken als het Hetty. De dochters aanstellers. Haar vader bezocht ze af en toe op zijn werk in het Stedelijk Museum. Op een keer nodigde ze me uit om mee te gaan. Julia leek op haar vader. Een grote slanke man van begin vijftig met een gevoelige mond en, zo constateerde ik, de neus met het plateautje waar ze zo’n hekel aan had, was een genetische erfenis van hem. Niet lang daarna werd hij getroffen door een hartinfarct. Tante Hetty vond hem ’s morgens in de tuin. Hij lag voorover met zijn gezicht in de vijver. Julia deelde het onbewogen aan mij mee alsof haar vader niet die morgen, maar al lang geleden gestorven was.

De enige keer dat ze haar vader daarna ter sprake bracht was in een brief. Ze schreef: vandaag is mijn vader jarig. Ik denk aan hem met gemengde gevoelens. Want juist op zijn verjaardag wilde ik naar hem toe, aardig voor hem zijn. Dat kon ik de laatste jaren niet. Ik deed niets. Schreef hem niet omdat ik dan aan het Hetty en hem schreef, kwam niet, omdat ik dan bij het Hetty op bezoek moest.

zaterdag 27 april 2013

Belichtingstijd: kerkhof


Bijna al mijn tijd vandaag is opgegaan aan het zoeken naar een foto van Julia. Ergens moet ik foto’s van haar hebben. Doos na doos heb ik van de kast gehaald. Door elkaar gesmeten, gleed mijn jeugd en jonge jaren in een paar uur door mijn handen. Niet alleen op foto’s, ook kaarten heb ik bewaard. Ansichtkaarten waarvan het een wonder is dat ik ze nog heb. Zo gewoon als je dat vond: een kaartje van moeder met de afbeelding van een poes en het krabbeltje: 







‘Lieve Jana, 
Van Ward kreeg ik het bericht dat hij a.s. vrijdag die stoel bij ons komt halen, daarna haalt hij dat kleedje bij jou. Ik geef hem gelijk je naaimachine mee. Hier verder alles goed.
H.Gr. v. moeder’

18-10-67, heeft ze hem gedateerd.



Je denkt dat je een doos met foto’s en kaarten hebt opgeborgen, maar als je hem weer te voorschijn haalt, blijkt dat je een kerkhof hebt weggezet.

Er liggen kaarten in van Vera: mijn studiegenootje, medeactievoerster en vriendin. September 2000 is zij aan kanker overleden. Ik zat naast haar bed en streelde haar hand zo dun als een vogelpootje. Van mij wisten we toen nog niets. 


Halverwege de jaren zeventig studeerde ik aan de universiteit van Utrecht. Tijdens een college over psychologen in de eerstelijnsgezondheidszorg, stond een paar banken achter mij, een jong meisje op. Kortgeknipt haar, een grote bril met donker montuur op een eigenwijs neusje, begon ze heftig te debatteren met de docent. Scherp onderbouwd scheerden haar argumenten rakelings langs me heen. Zo leerde ik Vera kennen. Had ze een punt dan moest je van goede huize komen wilde je haar daar van af brengen. Tot aan haar allerlaatste snik hield ze de regie stevig in handen; maakte ons - vrienden en vriendinnen die haar verzorgden - duidelijk wat zij wilde dat er moest gebeuren.

De kaarten dateren eind zeventig begin tachtiger jaren. Een heeft ze verstuurd omdat ze een boek terug wil, dat ik kennelijk van haar had geleend: een boek over liefde en macht. Op een andere kaart dringt ze er bij mij op aan dat ik moet solliciteren naar een baan voor psychologen. Ze schrijft dat ik nog drie dagen de tijd heb. Op de derde kaart loopt ze in de Franse Pyreneeën met 15 kilo bagage op haar nek. In een post scriptum staat dat ze een oude bloeddrukmeter voor mij op de kop heeft getikt.





Ik vind kaarten van Bert, omgebracht bij een crime passioneel. Hij introduceerde mij in De Raadskelder - een ontmoetingsplek voor linkse activisten, die na de ontruiming van Dennendal in 1974 op zoek waren gegaan naar nieuwe perspectieven in de gezondheidszorg – nadat ik in Nederland de eerste zelfhulpgroep voor mensen met hoge bloeddruk had opgezet. We maakten samen deel uit van een taakgroep in de Werkgroep Gezondheidszorg(WGU).


Lieve Bert. Zelf homoseksueel, wist hij heel goed wat het betekende om bij een minderheidsgroep te horen. Hij coachte mij tijdens mijn eerste stappen op weg naar het bewust ongehuwde moederschap, bracht me in contact met een vriend die bij de NVSH werkte en waar sinds kort alleenstaande vrouwen voor KID werden behandeld. Al wilde Bert niet de fysieke vader van mijn kind worden, hij is ongetwijfeld de geestelijke vader van Aram.
Er liggen diversen kaarten van hem in de doos. Hij is even weg. Zit op een zonnige plek in Frankrijk. In Griekenland. Op de Nederlandse Antillen, lekker bruin te worden. Hij stuurt een kaart met een kerk en vraagt of ik dat buitenechtelijke kind van mij, dat onderweg is, durf te laten dopen. 

In hun vertrouwde handschriften sturen mijn vrienden en vriendinnen mij hun lieve groeten. Ze verzekeren mij dat ik hen spoedig weer zal zien.

 Ik vind zelfs een kaart van Jaap.


Met een loep - nog van moeder gekregen - heb ik de postzegel heel nauwkeurig bekeken: Italië, afgestempeld op 20 oktober 1966 ‘s avonds om acht uur in Torino. In zijn onregelmatige hanenpoten schrijft hij: 

Thuis bleven wij hardnekkig Jaap zeggen. Het tengere broertje uit mijn kinderjaren waarvan ik moeiteloos de benen achter in zijn nek kon leggen, zwerft hier nog in het gebied van de Middellandse Zee.
Jaap, die op voorhand iedere concurrentieslag met Ward – zijn één jaar oudere broer – verloor. Die vrede wilde stichten als zijn jongere broers Freek en Louis samen op de vuist gingen. Die onvermijdelijk de klappen kreeg, omdat Freek en Louis zich vervolgens als één man tegen hem keerden. Die zichzelf gitaar leerde spelen. Die als basgitarist in een band twee jaar van huis weg ging en leefde… waarvan? Jaap zijn zakken waren altijd leeg. Drieëntwintig was hij toen het gebeurde.


woensdag 10 april 2013

Christian

         Christian 2013                                                                                              Olieverf op  canvas    40x50 cm