woensdag 1 juni 2011

Een tuinhuis voor mezelf!




De opbouw is in volle gang. De wanden gedicht. De beits geeft het hout haar jeugdig uiterlijk terug en terwijl de kwast met lange halen langs het hout strijkt, droom ik van de woorden die ik hier straks, onbereikbaar voor het internet in alle stilte aan papier mag toevertrouwen.

Wordt vervolgd. Lees verder op: Help er ligt weer water in mijn tuinhuis!

zondag 8 mei 2011

De vrouw die alles zelf doet.











Op deze moederdag bedenk ik dat zelf doen kennelijk hoog in mijn vaandel staat. Zo koos ik ooit zelf en alleen voor het moederschap en nu restaureer ik dus mijn tuinhuis. Het vordert gestaag. 








Gisteren met een afdichtingspasta de vloer, hoeken en randen bewerkt, want water wil ik nooit meer in mijn huisje zien. Ik moet zeggen het ziet er gezellig uit. Alhoewel er nog wel een laagje overheen moet.



Pittig werk en na afloop viel ik bijna flauw, maar toch ...na gedane arbeid was het goed rusten!

Wordt vervolgd. Lees verder op : Een tuinhuis voor mezelf.


zondag 1 mei 2011

Tuinhuisperikelen - 2

Het was oktober 2010 dat ik vol goede moed de strijd aanging met de verrotting van mijn tuinhuis. U bent het misschien allang vergeten, maar ik liep een lange lange, eerst natte herfst en daarna witte, winter somber samen met Jip langs mijn tuin. Had niet eens zin om door het tuinhek naar binnen te gaan.
Mijn buurman rechts had in een moment van verstandsverbijstering alle plantage uit zijn tuin gerooid. Ook de wintergroene en twee meter hoge taxus heg tussen zijn en mijn tuin moest er aan geloven waarmee mijn schaduw terras en borders en het karakter van mijn tuin op één dag naar de knoppen ging. Het ophogen van zijn tuin met god mag weten hoeveel kub aarde en daarna de zondvloed waren er de oorzaak van dat het water geen andere weg zag dan zich over mijn tuinpad richting tuinhuis te begeven.
Gelukkig lag de nieuwe vloer nog op tafel. Nu het voorjaar zich zo hartverwarmend gemeld heeft, ben ik weer aan de slag gegaan. Een depressie is waarschijnlijk niets meer dan ingehouden energie. Je handen in je zakken omdat je moet wachten totdat het grondwater genoeg gezakt is in plaats van dat je ze uit de mouwen kan steken.
Ik heb alle rotte stukken onder aan de palen gerestaureerd met hard hout en rotvulling. Het is echt kei en kei hard geworden. Gaten gedicht, de binnenwand helemaal in de bruinoleum gezet en gisteren er zelf een soort van cementen vloertje in gelegd.
Beton – 27 zakken van 20 kilo vanaf de gamma vervoeren – heb ik maar van afgezien.

Buiten in mijn tuin is het een feest. De Azalea Mollis weer in bloei.
De blauwe regen die als een waterval uit de jeneverbes te voorschijn komt. De clematis en de sering , misschien mede door de kaalslag bij de buren voor het eerst in bloei is?



Wordt vervolgd. Lees verder op: De vrouw die alles zelf doet!



dinsdag 5 april 2011

De fiets van mijn vader.

In een groot gezin als waarin ik opgegroeid ben heeft ieder kind zijn eigen specifieke herinneringen. In dit verhaal vertelt mijn broer Aad 'Naadje' over zijn relatie met vader en plakt daar een bijzondere herinnering aan vast. Jammer genoeg hebben we in het familie archief geen foto van mijn vader met fiets kunnen vinden, maar onderstaande foto is toch ook een mooi plaatje.

Deze foto is ook te bewonderen op een blog van Daan Kolthof Nieuw Zeeland.

De fiets van mijn vader was een degelijke fiets. Zoals ik hem voor mij zie was hij zwart gelakt. Maar dat had mijn vader zelf gedaan, dus erg regelmatig zat die lak er niet op. Ik zie uitlopers, kwaststrepen, en kleine kloddertjes op de stang, en het stroomdraad van de fietsverlichting was mee geverfd. Ik weet dat zo goed omdat ik vele ritjes op die stang heb doorgebracht. Schrijlings zittend en licht hangend op het stuur voor me. Niet te zwaar daarop leunend, want de moeite die dat teweeg bracht om het stuur recht te houden ontlokte dan mijn vader flink gemopper .
Op die oude zwarte fiets ging hij elke dag van Stompwijk naar zijn werk in Leiderdorp. Dat gebeurde voor dag en dauw. Ik heb vader eigenlijk nooit zien vertrekken. Als wij kinderen om zeven uur beneden kwamen was hij allang en breed op de Grofsmederij, waarover hij sprak als ‘die stinkfabriek’.
Terugkeren heb ik hem vaak genoeg zien doen. Ik was dan na schooltijd aan het spelen ergens langs de weg of vissen in de sloot. Tegen etenstijd rond half zes kwam hij aangereden op het fietspad langs de vaart vanuit Zoeterwoude. Meestal samen met neef Kees van Ome Piet, een maat van de fabriek, allebei leunend met de ellebogen op het stuur. En elke keer als ik hem zo zag aankomen had ik een trots gevoel in mijn buik. Daar kwam mijn vader aan. Ik kende hem natuurlijk thuis, in de kamer, bij het eten, in de tuin werkend, zorgend voor het varken, maar dat is anders dan hem zo op de openbare weg te zien, voor het oog van de wereld. Ook al bestond die wereld maar uit een paar boerderijen, een weg over de dijk langs het water, een boer die een handkar met melkbussen voorttrok, en soms de bus uit Leiden: dat was mijn vader die daar aan kwam aan rijden! En als hij mij dan zag met zijn stoffige gezicht, vermoeid van de lange werkdag, dan verschenen de lachrimpels om zijn ogen en riep hij: hoi ' mijn naadje'. En dan was ik nog trotser want die woordgrap van hem paste bij mijn naam alleen. Het gaf mij het gevoel dat ik een bijzondere band had met hem. Mijn spel liet ik voor wat het was en holde met hem mee die laatste honderd meter naar huis waar moeder al de boterhammen voor het avondeten aan het snijden was.

Op een dag zaten we allemaal al rond de tafel. Het was zo'n mooie dag in juni dat de hemel strakblauw was en op de weilanden de geurige hopen hooi op hun ruiters stonden te drogen. En vader was nog steeds niet gearriveerd. We hadden allemaal al in koor geroepen: honger! En we hadden met de borden op tafel gerammeld, maar nog steeds kwam hij niet opdagen. Het liep al tegen zevenen en we zijn maar gaan eten, hoewel dat heel vreemd was en moeder steeds onrustiger naar de wekker keek die op de kast stond te tikken.
Toen we de helft van de boterhammen naar binnen hadden gewerkt klonk er plots een vervaarlijk gieren van fietsbanden door het losse grind in de poort. Er kwam duidelijk iemand met een flinke vaart van de dijk af bij ons de laagte in rijden. Een schim schoot als een schicht langs het keukenraampje, en toen hoorden we een zachte plof. Geschrokken holden we naar buiten en zagen vader in de heg liggen aan het einde van de werf, zijn fiets half over zich heen. Toen hij licht kreunend overeind kwam was het eerste dat aan hem opviel dat hij een sigarenpijpje in zijn mond had. Mijn vader met een sigaar, nooit eerder gezien. En toen hij mopperend begon te praten merkten we ook nog dat hij gedronken had. Dat was helemaal bijzonder, want drank en vader paste niet tezamen. Daar zat ie op de grond, verfomfaaid, met blaadjes van de heg op zijn alpinopet, kauwend op een Willem II pijpje.

De achtergrond van deze bijzondere thuiskomst is ons die avond niet meteen duidelijk geworden. Maar neef Kees, die met hem mee was komen rijden, zorgde later voor de ontbrekende informatie.
Het kwam erop neer dat vader zoals gewoonlijk na werktijd met enige maten op de fiets gestapt was om naar huis te gaan. Een van hen echter – Niek van Velzen - was in die dagen 25 jaar getrouwd geweest en haalde vader en neef Kees over om dat nog even te vieren in Café De Landbouw aan de Vrouwenweg dat ze onderweg in Zoeterwoude passeerden. De zomer zat in de lucht, en ze waren blij dat het werk in de stinkfabriek er weer opzat, deze kleine verpozing kon geen kwaad. Na enkele afwijzingen had vader zelfs toegestemd in een borreltje. Bij iemand die nooit drinkt kan dit bijzonder sfeerverhogend werken. Uitgedaagd waagde hij zich aan een potje biljart. Daar was echter aan verbonden dat de winnaar een borreltje kreeg en dat de anderen er een kochten. Zo werd vader overmoedig, als het al niet was omdat hij de anderen eens wilde laten zien wat biljarten was, dan toch omdat hij zich ongemerkt veel gewonnen borreltjes liet inschenken. En om de alsmaar gegroeide feestvreugde nog eens extra te bezegelen hebben ze hem, uitgeroepen tot de grote winnaar, bij het vertrek tenslotte een Willem II met pijpje in de mond gestopt. Dampend toog hij huiswaarts. Neef Kees vertelde dat hij steeds langzamer was gaan fietsen, en dat hij steeds herhaalde dat dit van die sigaar kwam. Maar volgens Kees was die sigaar al lang er uit gerold. Zo hebben ze uiteindelijk toch in Stompwijk het Oosteinde bereikt, waar vader thuis in de heg belandde.
Moeders ongerustheid was omgeslagen in boosheid. Ze liep hoofdschuddend om hem heen. Vader is overeind geholpen wat nog helemaal zo gemakkelijk niet was. En net was hij een beetje opgekalefaterd toen boer Niek Juffermans met zijn rijwiel het laagje in kwam rijden. Dat die nou precies vader in deze toestand moest zien. Maar helemaal toevallig was dat niet. Vader zou hem die avond helpen met hooien, maar was niet komen opdagen. Dus Niek kwam zijn verhaal halen: ‘Aad joh, waar blijf je nou! Je zou toch komen hooien!’ En vader keek hem vermetel aan, haalde het sigarenpijpje uit zijn mond en zei: ‘steek het maar in de brand.’

maandag 4 april 2011

Elegie


Hoi Pap, sorry dat ik stoor, maar ik wil je zo graag nog eens zien. Kom dan haal ik je uit je kist. Ik doe het heel voorzichtig. O wat ben je stoffig en breekbaar.
Het is lang geleden dat ik dit gedaan heb. Ik bedoel iets dat dood is weer opgraven; kijken wat ermee gebeurd is. Dat deed ik met die konijntjes die jij me gaf. Weet je nog? Ze waren ziek; verlamde achterpootjes. Jij zei tegen mij dat ze dood gingen, maar ik wilde dat niet geloven. Steeds weer probeerde ik met warme kruiken en melk of ik ze in leven kon houden. Uiteindelijk moest ik ze toch begraven, ergens in de tuin.
Op een keer wilde ik weten en schoof een paar weken later de aarde weer opzij. Dat was een raar gezicht Pap. Het leek of het konijntje nog leefde. Het buikje ging op en neer. Maar dat was niet zo, het was alleen een velletje met daarin allemaal wormen, maden en kevertjes. Het maakt me een beetje bang. De doden kan je beter met rust laten. Als je terug gaat kijken vind je niet wat je denkt dat je achtergelaten hebt.
Kom ik neem je in mijn armen. Lig je lekker zo? Zo lag je ook toen je dood ging, weet je nog? Alleen wij samen. Even had je het benauwd en toen verdween je in de leegte. Je was er zo bang voor, maar ik geloof dat het erg mee viel. Moeder was druk met het bellen van de dokter en de pastoor. Die horen erbij te zijn als je dood gaat. Maar de dood stoort zich niet aan hoe het hoort.
Heerlijk zit ik zo. Ik kijk op je kale hoofd, probeer weer te tellen hoeveel haarpuntjes er op een vierkante centimeter zitten. Er zijn veel grappen gemaakt over dat kale hoofd van jou en over al dat verstand wat erin moest zitten! Had je veel verstand Pap? Als het zo was, dan heb je het niet gebruikt om je ergens in te scholen. Aan school heb jij altijd een hekel gehad en je vond het maar niks, dat wij, je kinderen, bezeten waren van lezen. 'Gooi die boeken toch in de kachel, ze verlezen hun verstand,’ mopperde je tegen moeder.
Later heb ik jou dat wel eens kwalijk genomen. Ik kreeg het gevoel dat ik niets voorstelde omdat jij, mijn vader, een arbeider was. Op een dag heb ik je gevraagd waarom je niet meer was geworden? Maar jij antwoordde: ‘ach kind waar moet het met de wereld heen als we allemaal baas willen worden?'
Neen, een baas wilde je niet zijn, maar Pap het was toch ook niet gemakkelijk om geknecht te zijn. Jij die zoveel van vrijheid hield. Jammer dat je ogen niet meer zien. Het is zo mooi hier. Tussen de bomen door kijk ik in de ruimte van de polders. Ik zie de dijk van de ringvaart met daarachter de Meer en Geer. Het zijn deze polders waar jij bent groot gegroeid. Je tijd uit leefde en waar je nu geborgen bent. Als kleine jongen sloop je ’s morgens in de zomer om vier uur stil uit huis. Verdween in de polders voor ze je konden dwingen naar school te gaan.
Na je dood ben ik nog een keer naar dat oude schuurtje gegaan, midden in het weiland. Ik heb er stil gezeten in één van die twee afgedankte stoelen en om me heen gekeken. Ik wilde zien wat jij altijd zag als je daar met je oude jagersvriend zat. Mijn ogen zochten de hazen in hun legers waarover je vertelde en waarop jullie jaagden in het jachtseizoen.
Neen, het moet niet gemakkelijk geweest zijn voor jou. Dag in dag uit werken in een fabriek; ijzer smelten in een hitte van twaalfhonderd graden Celsius. Thuisgekomen ging je, na het eten, klussen bij de boeren. Bijverdienen omdat je in al dat zweet niet eens genoeg verdiende om je vrouw en kinderen te kleden en te voeden. In je handen zitten nog de staalspetters. Die ijzeren handen van jou, ik zie en voel ze weer, zo zacht die laatste tijd. Op een keer gebeurde er een ongeluk. Gloeiend heet stroomde het ijzer in je schoenen, verbrandde je voeten, je benen. Nou Pap, ik denk dat jou alleen de hemel nog kon wachten.
Achtenvijftig jaar oud was je en je kreeg je eerste attaque. Daarna hoefde je niet meer. Een grote stempel op je papieren: AFGEVOERD.
Dat deed pijn, hé Pap. Uren lag je op de bank, sigaretjes roken. Kwam er een uitnodiging om te jagen of te vissen dan leefde je weer op, werd weer de kleine jongen die zijn vrijheid zocht. Moeder mopperend achterlatend. Die heeft niet begrepen. Die heeft nooit alleen, ver weg in een polder op haar rug in de stilte van het ijle blauw gekeken. Luisterend naar de verre roep van een weidevogel. Die heeft nimmer de geur opgesnoven van aarde die zich in vette kluiten aan je opdringt en die kent niet het geheimzinnig verlangen om je eraan over te geven.
Kom Pap ik krijg het koud.
Ik leg je weer terug.

zondag 9 januari 2011

O, heerlijke Griep! slot

Ziek kind 1986                                                                                                                                             aquarel 


Sinds een half jaar staat er bij mij in de woonkamer een Sony flatscreen van flink formaat me zwart aan te kijken. Stop je er een mooie film in, dan wordt het een ander verhaal. Dus pak ik een plaid, schik de kussens en nestel me op de ruime Ikeabank in gezelschap van een flinke stapel Dvd's en een grog waarin ik bij gebrek aan cognac maar whiskey heb verwerkt.
Ik heb lange films uitgezocht, zodat ik lang kan blijven liggen. De North and South serie over de Amerikaanse burgeroorlog heb ik pas nog bekeken. The Godfather dan? Nee toch maar niet. Geen zin in al die lijken. Ik kies voor: ' De Graaf van Monte Cristo' met Gérard Depardieu in de hoofdrol. Die heb ik echt heel lang niet meer gezien en duurt alles bij elkaar zeven uur. Af en toe haalt de griep me even in en val ik in slaap, maar dat is dan weer zo fijn van een Dvd!

De volgende dagen prop ik de ene na de andere film in de bek van de DVD speler. Kijk op een videoband, lang geleden opgenomen documentaires terug met in de hoofdrol Doris Lessing, Agatha Christie en een uitzending van Nachtsalon met ach...Michaël Zeeman nog, in gesprek met Aya Zikken. Allemaal vrouwelijke schrijvers. Toevallig? Mijn vingers jeuken. Ik bedwing me. Geef me over aan de beelden en het leidmotief van de film Dr. Zjivago:' Somewhere my Love.' De balalaika zingt als een leeuwerik hoog boven het orkest een lied van hoop en vrees. In een golvende beweging trekken uitgestrekte narcissenvelden en lange ijskoude winters op het flatscreen aan mij voorbij.

Helemaal geïnspireerd sla ik later het boek toch open. Ondanks dat ik lezen in bed , zeker met zo'n dik boek, een bijna onmogelijke opgaaf vind, ben ik direct geboeid. In het voorwoord maakt Peter d'Hamecourt een vergelijking met de film. Overheerst in de film de romance tussen Joeri en Lara met de revolutie als decor. Het boek is een politiek document, een aanval op het kwaad: de revolutie zelf, die monsters als Stalin voort brengt. Bij het lezen van het eerste hoofdstuk bewonder ik de mooie woorden van Nicolaj Nikolajewitz. De oom van in het boek Joera genoemd en die de opvoeding van zijn neefje, na het overlijden van zijn zus op zich heeft genomen.
Ik bijvoorbeeld heb nooit geweten dat ik niet in de natuur, maar in de 'historie' leef. Dat ik dat aan het op naastenliefde gebaseerde Christendom te danken heb en dat de vooruitgang alleen vanuit deze bezieling mogelijk is. Ik citeer: 'Pas na Christus hebben de eeuwen en generaties vrij kunnen ademhalen. Pas na hem begon het leven in het nageslacht, en sterft de mens niet meer op straat tegen een schutting, maar thuis in de historie.'

Dat is het dus! Zonder het te weten, heb ik het gedaan. Vertel mijn jongste zoon dat het 'not done' is om thuis eerst alle schappen leeg te eten en terug te keren naar je studentenkamer zonder eerst een nieuw voorraad voor je zieke moeder te halen. Dat ik zelf mijn zieke vader heb verzorgd. Bij ieder attaque mijn boekentas heb gepakt tot hij op een dag onder zijn eigen dak in mijn armen is overleden. Dat je niet moet willen leven in een maatschappij waarin mensen niet meer voor elkaar zorgen!
Slapend kind 1988                                                     krijttekening                                                    

                                    
Mijn zoon. Hij begrijpt en leert snel. Haalt een tas vol boodschappen bij Albert Hein. Blijft nog een dagje langer thuis en roept bij zijn vertrek: 'Je moet me wel bellen hoor Mam, als je me nodig hebt!'


Nog niet genoeg van de griep? Hier vindt u een verhaal over de Mexicaanse griep.

vrijdag 7 januari 2011

O, heerlijke Griep! (2)


Ik druk een aspirine en een paracetamol uit de strips in een glas half gevuld met water. Zie toe hoe de tabletten langzaam uiteenvallen in vormeloze hoopjes namaak sneeuw. Schud en gooi de witte vloeistof in één keer achter in mijn keel. Met dit mengsel verhoog ik de kwaliteit van mijn griepleven. Dr. Zjivago van Boris Pasternak, kijkt mij van het nachtkastje verleidelijk aan. Ruim 500 pagina's dik en vertaald door Nico Scheepmaker kocht ik het boek voor de kerst van 2009 en hoewel het sinds die tijd steeds zichtbaar aanwezig in mijn nabijheid verkeert, heb ik er alleen wat in gebladerd. Ik neem het opnieuw in mijn handen. Weeg het denkbeeldig in een op- en neerwaartse beweging.

Bij dikke boeken moet ik altijd terugdenken aan mijn grootmoeder. Zie ik haar weer zitten in een stoel in de tuin van mijn ouderlijk huis met op haar schoot 'Oorlog en Vrede' van Tolstoi. Ik heb het waargenomen en geen vragen gesteld. Het is meer de verwondering die is blijven hangen: dat mijn grootmoeder, dat kleine vrouwtje, de echtgenoot van een daggelder, van die dikke uit het Russisch vertaalde boeken las! Grootmoeder verraste mij overigens wel meer. Bij voorbeeld de keer dat ze 's avonds met mijn ouders en een oudere broer of zus een spelletje kaart speelde. Pandoeren heette het spel. Vraag me niet naar de inhoud. Ik was een kind en nam enkel waar. Zwartgebloemd jurkje, grijs vest losjes om de schouders en het witte piekhaar dat altijd weet te ontsnappen aan de grote schuifspeld, die achter op haar hoofd de boel bij elkaar moet houden, bestudeert ze de kaarten in haar hand. Ze is aan zet. De spanning in de kamer loopt op en terwijl ze een kaart uit haar hand pakt, zegt ze: 'Nu zal je eens een aap zien neuken.'

Mijn grootmoeder – Ruim zeventig jaar oud. Halverwege de jaren vijftig. De seksuele revolutie is nog niet begonnen. Het duurt nog jaren voordat Joop van Tijn tijdens de presentatie van 'Open en Bloot' het hele Nederlandse volk inclusief de regering zal shockeren door, in beeld en weliswaar bekakt, het woord hardop uit te spreken. – gebruikt, alsof dat doodgewoon is, het woord: neuken! Ja nu kunnen we erom lachen, maar toen staarden wij grootmoeder ongelovig aan. Begrepen niet hoe het mogelijk was dat er zo'n woord kwam uit dat lieve zachte al wat rimpelige mondje!