woensdag 25 april 2012

Een Verre en Hete Zomer



'Bert dood, mama?,' stamelt Aram. Hij zit in zijn stoel tegenover mij aan tafel en terwijl hij verwonderd naar een traan kijkt, die van mijn wimper druppelt, strekt hij een handje naar me uit. 
Ik vraag me af hoe hij dat nu kan weten? Aram is nog veel te klein. Een kind van anderhalf weet niets van de dood en ik heb mijn mond niet open gedaan. Alleen in stomheid gelezen. Het staat in grote koppen gedrukt op de voorpagina van de krant die voor mij op tafel ligt: Raadsel­achtige dood van twee Neder­landers op vakantie in Griekenland.

Het is gezellig rommelig in het kleine rijtjeshuis. Bert heeft kaarsen aangestoken en twee gla­zen rode wijn inge­schon­ken. Aan de wand hangt, ach­ter ­glas ingelijst, een grote foto: een groep badende jonge kna­pen in de sfeer van de jaren twintig. In het keukentje met de steen­tjes gootsteen hebben we samen de maaltijd bereid: aardappelen, bloemkool, karbonade en gemengde sla. Bert lust alles, behalve spinazie uit blik daar krijgt hij uitslag van. 
We maken grapjes over lastige pati­ënten in zijn huisartsen­prak­tijk, die maar niet mondig en geëmancipeerd willen zijn. Wisselen van gedachten over de laatste ontwik­kelin­gen in de ge­zond­heidszorg en de opnieuw aan­gekon­digde bezui­ni­gen. 
Een paar dagen ervoor had ik hem gebeld: 'Heb je deze week nog tijd ik wil met je praten?' Ik hoorde hem bladeren in zijn agenda barstensvol met afspraken. 'Kom donderdagavond bij me eten!' Nodigde hij mij uit. 

Ik veeg mijn mond af aan het papieren servet en neem een grote slok wijn: 'Ik wil een kind. Ik wil een bewust ongehuwde moeder wor­den!' 
Bert verblikt of verbloost niet. Over zijn gezicht trekt een brede lach.  'Wat leuk dat je aan die mogelijk­heid denkt!  
Daarna vertel ik hem mijn angsten; mijn twijfels over de juistheid van de keuze en de eventuele gevolgen. 
'Waar precies ben je bang voor?' Vraagt hij: 'Wat  houdt je tegen?' 
Ik vertel Bert, dat ik bang ben, dat er weer een oorlog uit zal breken en ik met mijn kind als eerste op een trein gezet word om vergast te worden. Dat mijn vrienden me af zullen wijzen, dat mijn familie me zal verstoten. Dat ze mijn keuze niet zullen accepteren en niets meer met mij en het kind te maken willen hebben. En het allerergste; dat ik niet genoeg van het kind zal houden, dat ik het in de steek zal laten?
'Doe het maar,' moedigt Bert aan terwijl hij een stukje bloemkool aan zijn vork prikt. 'Je zult tot een minder­heids­groep behoren. Een éénou­dergezin vormen. Maar je staat niet alleen. 

Ik neem nog een flinke teug wijn en kijk vanonder mijn neergeslagen wimpers met spanning naar de uitdrukking op zijn gezicht: 'Zou jij zelf kinderen willen hebben? Het hoge woord is eruit: Zou jij als vriend, de vader van mijn kind willen wor­den?'
Abrupt legt hij zijn vork en mes naast zijn bord neer en staart stil voor zich uit, dan antwoordt hij, bijna verlegen:Nee, ik wil geen vader worden. Een kind past niet bin­nen het leven dat ik leid.' 
 Hij schept nog een keer op en vertelt over zijn coming out, zijn afgebroken pries­ter­stu­die en zijn actieve homoleven nu. Het was een hele schok voor de vader die zijn enige zoon graag in de door hem opge­bouwde zaak had gezien. Voor de moe­der die hem een ere plaats in de kerk had toegedacht en voor de zussen die tever­geefs op een schoon­zusje, op nicht­jes en neef­jes hadden gewacht. 
 Bert geeft me het telefoonnummer van een kliniek in Zwolle: 'Maak er snel werk van.' Van een be­vriende collega die er werkt, weet hij dat ze er sinds kort ook alleen­staande vrouwen insemi­ne­ren.

Wat zich precies heeft afgespeeld op die camping in Grie­ken­land zal altijd een geheim blijven. Duidelijk is dat Bert dood is, omgekomen bij een crime passionel. Ze is er weer; de pijn waarvan ik dacht dat ik die nooit meer hoefde te voelen sinds het ongeluk met mijn broer Jaap. De schok. De verwarring. De leegte ook. De oude BMW die niet meer door de wijk racet. Niet meer voor de flat stopt. Geen gezamenlijke lunches meer. Geen ironische grappen. Weg vertrouwdheid. Alles verdwenen in één messteek Er zijn alleen herinneringen. Zijn zacht gezicht. De aarze­lende jon­gens­glim­lach. Zijn warmte bij het gedag kussen. Hij was zo blij, zo enthousiast geweest toen ik hem van de zwanger­schap vertelde. Tegen mijn ongeboren kind heb ik ge­zegd: 'Jij wordt niet zonder, maar met een heleboel vaders geboren.

Ik til Aram uit zijn stoel. Klem hem in mijn armen. Kus hem op zijn hoofd. Kus hem in zijn hals. Verberg mijn gezicht in zijn haar. 
's Avonds schrijf ik in mijn dagboek aan hem: 
 Lieve Aram, 
 Deze zomer gaat de ge­schie­denis in als één van de warmste zomers sinds drie­honderd jaar. De warmte is veel mensen naar het hoofd geste­gen. Mensen veroor­zaken bosbranden en steken scho­len in brand. Afgelopen week heeft een zestienjarige skinhead een jongen van vijftien jaar (Kerwin Duinmeijer) doodgesto­ken alleen omdat hij een gekleurde huid had. En Bert, een heel goede vriend van jou en mij, is door een vriend ver­moord.

De volgende dag bezorgt de post een vakantie­kaart. Het is een af­beelding van, 'Maria van Altijdduren­de Bijstand'. Een icoon uit de veer­tien­de eeuw, bewaard in een museum in Athene. Ik draai hem om en lees: 'Veel groe­ten en tot ziens.' Bert

woensdag 4 april 2012

HET BEZOEK slot



Buiten begin het te dagen. Het tabletje doet zijn werk en de oude vrouw haalt iets ruimer adem; tevreden ligt ze in het bed, haar ogen gesloten. Ze voelt geen druk van het half­donzen dekbed. Mieke heeft het onlangs ge­kocht. Dekens zijn te zwaar, ze zakken weg naar de grond en zij, Mijntje is on­machtig om ze op te pakken.

Ze droomt weg, beklimt de steile trap naar de zolder van het oude huis en haalt de dekens van de bedden waarin haar kinderen twee aan twee slapen. Met haar armen vol gaat ze naar bene­den; haar voeten kennen iedere tree. Door de openstaande buitendeur stroomt de voor­jaarslucht fris naar binnen. Ieder jaar hangt ze alle dekens over de was­lijnen te luch­ten. Een kleu­rig schouw­spel; twee lange rijen dekens waar haar kinderen opgewonden verstopper­tje in spelen.
 

'Lekker licht hè moeder,' heeft Mieke tegen haar ge­zegd.
 'Ja, hoor lekker licht,' mompelt de oude vrouw. Ze voelt geen gewicht en ook geen pijn in haar kapotte arm.
Ze opent haar ogen en kijkt verliefd naar Aart in haar stoel. Ze heeft hem zo gemist die lange laatste jaren. Het was in de crisistijd dat ze met hem ging verke­ren. Op de kermis leerde ze hem kennen. 's Avonds na het fees­ten had hij haar naar huis gebracht.
 Aart met zijn olijk bruine ogen en brede lach. Smoor­ver­liefd was ze geweest. Daar had de pastoor niets aan kunnen veran­de­ren: 'Maak het uit Mijntje,' had hij tegen haar gezegd. 'Die jongen heeft geen werk; van een mooi bord kun je niet eten.'

'Aart!' zegt ze moeilijk; haar droge lip­pen plakken aan elkaar. 'Wat is 't Mijntje?'
 'Ik heb er geen spijt van dat ik met jou ben gegaan.'
 'Ik ook niet Mijntje, je bent een goed wijf voor mij geweest. Altijd het eerste uit bed. In de winter de kachel opporren. Theezetten. En als ik vroeg in de ochtend, voor mijn werk een snee­tje brood at, zat jij al met je voeten op de stoof, je nachtpon open geknoopt een kleintje te voeden. Daar heb ik altijd graag naar gekeken, weet je: Jij met zo'n hum­meltje op schoot. Het was nog stil in huis, de rest van de kinderen lag boven te slapen. Je hoorde alleen het klok­kende geluid van het kindje dat zijn melk nam.'

Ze voelt weer hoe het kind zuigt aan haar borst; een aange­naam trekken dat eindigt ergens diep onder in haar buik, en de kleine vingertjes die kriebelen op haar vel. De herin­ne­ring doet haar glimlachen.

'Dan heb je lang kunnen genieten, Aart! We hebben samen veel kinde­ren gekregen.'
 'Dat moest van Meneer pas­toor.' Zijn stem klinkt veron­gelijkt.
 'Ja zeker, Aart, dat maak jij jezelf wijs. Maar Aart, je was er zelf toch ook niet vies van?'
 'Nee Mijntje, je bent een lekkere meid met een hete kont en ik heb graag met je gevrijd.'
 'Gek, die je bent!' Ze lacht zodat haar droge lippen pijn doen.

Het praten vermoeit haar. Ze doet haar ogen toe en blijft stil liggen. Haar grijze krullen in een krans om haar hoofd, haar huid ziet wit als was en scherp tekenden de lijnen haar gezicht.

Ja, Aart heeft haar veel kinderen gegeven. Tien heeft ze er grootge­bracht; acht jongens en twee meis­jes. Ze heeft het graag gedaan. Vooral toen ze klein waren heeft ze veel plezier aan ze be­leefd. Uitein­delijk zijn ze alle­maal goed te­rechtgekomen. Ze kunnen goed leren; hersens hebben ze, die kinderen van haar. Iedere zondag gaf ze hen, van het weinige geld dat ze besteedde, een dub­beltje voor de bibli­otheek. Wijsneuzen zijn het gewor­den. Eigenwijs soms zelfs, die het beter willen weten dan Aart en zij. Dat ze bijna niet meer naar de kerk gaan, daar heeft ze het moeilijk mee gehad, maar dat is de nieuwe tijd, daar kan je niets tegen doen.

Mijmerend trekt de oude vrouw haar ge­schiedenis, terwijl haar ogen diep en donker wegzakken in hun kassen en de druk op haar borst almaar zwaar­der wordt. Zo'n pijn heeft ze niet meer gevoeld sinds Jaap.

Het zwarte paard en de koets waarmee de tweelingen naar de kerk zijn gebracht zetten zich langzaam in beweging rich­ting ziekenhuis.
 'Eigenlijk weinig aan te zien, hè! Dat ziet er soms heel anders uit.' De stem van de broeder die de lorrie uit de koelcel rijdt klinkt ver weg.
 Ze bevindt zich samen met Aart in het halfduister van het mortuari­um. Ze houden elkaar vast. Aan hun voeten ligt, heel wit en stil hun zoon Jaap. Haarpieken plakken vochtig op zijn voorhoofd. Onhandig zijn de sporen bloed gewist. In een reflex duikt ze naar bene­den. Ze wil hem oppakken. In haar armen nemen en troosten. Hem weghalen uit die ijzige omgeving. Een hand houdt haar tegen. Ze mag hem niet aanra­ken, niet beroe­ren: 'Het lijk is in beslag genomen. Ze moeten nog obductie doen. Dat begrijpt ze toch wel? '
 Bevreemd luis­tert ze naar wat de broeder in zijn vak allemaal is tegenge­ko­men. Jaap laat ze achter. Zonder ver­zet. Ze is een verstandige vrouw.
 Aart heeft het niet kunnen verwerken; in één dag tijd was hij een oude man. 'Je kunt er beter tien krijgen dan één ver­lie­zen,' hebben ze tegen elkaar gezegd.

 'Aart!' Ze houdt haar ogen gesloten.
 'Ja, Mijntje?'
 'We hebben wel hard moeten werken en ons deel gehad.'
 'Ja, het was een geluk dat jij zulke flinke handen aan je lijf had en altijd zo'n opgeruimd wijf, anders had het er slecht met ons voorgestaan.'
 'Jij hebt je ook ziek gewerkt in het vuil van de fa­briek Aart, en moet je mij zien; ik kan niets meer. Mijn arm is gebroken en alle kracht is weg uit mijn handen.'
 'Mijntje, meid kom, ik neem je in mijn armen. We gaan.'

Verbaasd staart Mijntje in het wit van het plafond.
Buiten is de nieuwe dag begonnen.

donderdag 29 maart 2012

HET BEZOEK (2)



Mijntje kijkt naar de zwijgende figuur in de stoel. Een glimpje licht speelt op de kale schedel. Het zou de oude dokter kunnen zijn, denkt ze weer. Die is wel eerder bij haar van ver­moeidheid op een stoel in slaap geval­len.
Een fijne huis­arts is hij geweest, daar kan die jonge nog van leren. Die is gewoon doorge­gaan met het voor­schrijven van plastabletten. Ze weigeren betekende haar dood, dreigde hij. De urine liep bijkant langs haar benen en steeds moest ze om een zuster bellen. Ook 's nachts als ze het toch al zo druk hadden.
 'Wat moet u nu weer?' zeiden ze soms ongeduldig als ze haar kamer binnenkwamen.
 'Plassen, ik moet plassen,' ant­woord­de ze dan benepen. Bang dat de zuster, zoals laatst, expres aan haar kapot­te arm ging trekken. Ze had het uitgeschreeuwd van de pijn en zich be­klaagd bij haar dochter:
 'Dat nemen we niet moeder, dat mogen ze niet doen' en boos was Mieke naar het afdelingshoofd gegaan. Ze heeft voor een andere huisarts gezorgd. Een vrouwe­lijke dokter, een aardige meid, die wel een uur met haar praat en goed notitie van haar neemt.
 'Uw bloed­druk is veel te laag,' zei ze na het eerste onder­zoek. 'Daar­om bent u zo moe en zo duizelig in uw hoofd.'
 Het aantal plastabletten is flink vermin­derd en de pijnstillers waar ze suf van werd en de gele kalme­rings­ta­bletjes zijn van haar lijst ge­schrapt.

Op de oude dokter heeft ze altijd kunnen rekenen; bij nacht en ontij stond hij voor haar klaar. Vrijwel al haar kinderen heeft hij op de wereld gehol­pen. Alleen de laat­ste twee niet, daarvoor moest ze naar het zie­ken­huis. Thuisblij­ven was te gevaar­lijk nadat het mis was gegaan met de twee­ling; twee kleine jongetjes van nog geen drie pond elk. Lang hebben ze niet geleefd. Aart had het bij het rechte eind. 


 'Dat wordt niks Mijntje, daar moet je je geen voorstel­ling van maken,' heeft hij tegen haar gezegd. 'Ze huilen niet; ze kreu­nen, dat is niet goed.' Een paar uur later waren ze dood. Het drong amper tot haar door; zo zwak voelde ze zich na die opera­tie met al dat bloedverlies. Aart had haar koude handen in zijn warme knuisten genomen: 'Ik ben al lang blij als ik jou mag houden,' fluisterde hij in haar oor.
 De specia­list raadde verder kinde­ren krij­gen ernstig af. Maar ja dat was makke­lijk praten, ze had toch moeilijk van Aart af kunnen gaan. Nog twee flinke jongens zijn er gekomen.

 Nee, zoals de oude dokter heb je er niet veel. Was er een kind ziek dan maakte hij zijn bezoek. Met verwon­dering ziet ze hem weer op haar stoep staan.
 Haar klein­kind was ziek gewor­den en Otto, haar zoon en zijn vrouw konden niet naar hun huis in Zeeland. Het hele land lag lam van de ijzel. Rijden was onmoge­lijk; geen auto bleef op de weg en de streek­bus dreef in de Nieuwe Vaart. Maar de oude dokter had zijn op­wach­ting ge­maakt. Met sneeuw­ij­zers onder zijn schoe­nen gebonden stond hij in het donker voor haar deur. Blij ver­rast riep ze uit: 'Goh dokter dat u gekomen bent!'
 'Met een ziek kind moet je niet reizen,' antwoordde hij, 'en ik kan nog steeds geen diagnose stellen door een telefoon.'
 Het speet haar toen hij met pensi­oen ging. Meer dan veer­tig jaar was hij bij haar over de vloer geko­men; hij heeft zoveel bij haar gezien.

De pijn drukt zwaarder op haar borst. Taai slijm krie­belt in haar keel. Ze wil hoes­ten maar durft alleen te ku­chen. De man in de leunstoel beweegt. Ze reikt naar hem met haar goede hand: 'Dokter! Bent u het dokter?'

 'Blijf maar stil liggen Mijntje.'
 'Aart!' Het klinkt als een schot in haar hoofd. Aart zit daar in haar stoel. Haar hart bonst in haar keel en slaat een slag over.
 'Aart, wat doe je hier,' fluistert ze. 'Je bent al jaren dood.'
 'Ik ben voor jou gekomen Mijntje, ik wacht op jou.'
 'Aart, ik heb zo'n pijn op mijn borst, maar ik durf geen zuster te bellen; zulke spinnenkoppen als het zijn. Altijd druk met het weven van hun eigen web hebben ze geen tijd om een oud mens op de wc te helpen en mij een luier omge­daan. Een luier! Aart, ik die met mijn handen zoveel luiers heb staan wringen, lig nu zelf met een pieslap om.'
 'Je hebt gelijk Mijntje, het geeft geen pas. Ik zie nog hoe de bleek voor ons huis vol ligt met witte doeken. Bergen luiers met geelgroene vlekken heb je naar het veld gebracht.'

Door de mist van de tijd heen betreedt ze het met dauw bedekte gras­veld. Met haar stevige handen zoekt ze naar­stig naar hoe­ken, naar punten en ze hoort weer het klap­pende geluid waarmee ze de luiers uit ­spreid­de op het gras. Soms dreigde er een bui. Onrustig keek ze dan naar de lucht en bij de eerste regen sloeg ze groot alarm: 'Aart! Jon­gens! De was!'  Al wat lopen kon holde naar het grasveld om het droge goed binnen te brengen. Zo fris geurde het dan in de kamer naar die zonge­bleekte luiers.

 'Nee, Mijntje, jou een luier omdoen, dat kan niet! Maar het zal niet lang meer duren.'
 'Aart, op tafel staat een doosje met heel kleine witte tabletjes. Als je er één onder mijn tong legt, zakt de be­nauwdheid misschien wat af.'

 'Goed,' antwoordt Aart. 'Nog even dan.'


naar slot

zondag 25 maart 2012

HET BEZOEK


Mijntje opent haar ogen en kijkt verdwaasd in het wit van een plafond Haar hoofd voelt leeg en donker. Heel langzaam vormen zich haar gedachten: Waar ben ik? Waar is Aart? Paniek stijgt in haar op: Aart! 
Ge­luid­loos opent ze haar mond. 
Ze wil voelen links van haar in bed; de plaats waar Aart altijd slaapt. Een scherpe pijn houdt haar tegen. ‘ O ja! Herinnert ze zich weer, haar arm, haar elleboog is kapot. Met haar rech­ter­hand kan ze meer en aarze­lend tast ze rond. Haar vingers glijden over een smalle strook ka­toen, voorbij de harde rand van het bed tot ze de kilte waarnemen van behang op een beton­nen muur. Ze ligt in een smal bed, beseft ze, een eenper­soons­bed. Ner­gens voelt ze warmte, geen spoor van de ge­spierde armen of dijen van Aart.
 Mijntje huivert; haar lippen zijn droog en zweet parelt koud op haar voor­hoofd. Ze is wakker gewor­den van een drukkende pijn op haar borst. Voorzichtig ademt ze in en uit. Haar blik­ken dwalen door de ruimte. Ze bevindt zich in een kleine kamer met slechts één raam. Het licht gluurt grijs door een kier van het gor­dijn naar binnen; het moet nog vroeg in de ochtend zijn. Tegen de muur, recht tegen­over haar staat haar oude thee­kastje en ook de boeken­kast en het televisiemeubel herkent ze nu als van haar zelf. In het midden van de kamer ziet ze, zit­tend in haar fau­teuil de contou­ren van wat een manspersoon moet zijn.

Traag krijgen de beelden hun bete­kenis. Ze is in haar kamer in Mariënpark, weet ze weer: Het be­jaar­den­huis, waar ze sinds enige jaren woon­t. Maar, wie zit daar in haar stoel? Ze tilt haar hoofd wat omhoog uit het kussen om beter te kunnen zien. De man leunt achter­over. Hij zit onder­uitge­zakt met zijn rechter­voet kruislings over het linker bovenbeen. Het is een vertrouwd beeld en toch een beetje vreemd. 

Kan het de dokter zijn? Of de pastoor? Zou het zo slecht met haar gesteld zijn? Ze is op leef­tijd; de afge­lo­pen zomer heeft ze haar vijfen­tachtig jaren groots ge­vierd. Als voor haar de kerk­klok­ken luiden zullen de mensen in het dorp niet treu­ren: 'Ze heeft haar tijd breed ge­had'.
Ze scherpt haar blik en haar gedachten krijgen meer vaart. Nee, de pastoor is het niet. Dat ziet ze aan de ronde schouders, de korte nek en de gladde schedel. De pastoor is veel hoeki­ger, groter ook dan de man daar in haar stoel. Boven­dien loopt de pastoor zo hard niet meer. Waarom zou hij ook? Het vorige jaar heeft hij haar samen met een hele groep oude vrou­wen en mannen van de laatste sacra­menten voor­zien. Allemaal tegelijk. Uit voor­zorg, dat is weer zo,n nieuwigheid. Niet een van haar kinderen had er bij kunnen zijn.

Zangerig klinken hun kinderstemmetjes in haar oren: 'Lie­ve heertje ik ga slapen, want de dag is weer voor­bij.' Ze is terug in haar eigen huis, in de woonkamer en zit met haar dikke buik op een rechte stoel. Door het glas-in-lood van de bovenramen schijnt de avondzon in een brede baan naar binnen en stofjes dansen op en neer. Op de ruwe kokosmat knielen haar kinde­ren om haar heen.

'Lieve heertje zegen mij ...' bidden ze met samenge­vouwen handen en gesloten ogen, het avondgebed dat ze van haar hebben geleerd. Kleine Freek zit op haar schoot. Ze helpt hem zijn handjes vouwen, dat is een heel gedoe, die korte dik­ke vinger­tjes ineenstren­ge­len. Het lukt en ze legt haar handen er stevig omheen.
'Amen,' roept de kleine boef. Hij probeert zich los te wurmen. De kinde­ren aan haar voeten gluren grinnikend tussen hun wim­pers door.
'Engeltje zoet, bewaar Simon, Mieke, André, Otto, Dirk, Jaap….goed,’ helpt ze.
'Amen,' roepen ze nu allemaal en wrijven hun pijnlijke knieën waarin de mat wit staat afgedrukt.
'Allemaal plassen en naar boven!'
'Eerst nog een beetje water.'
'Mag ik ook wat drin­ken.'
'Ik ook dorst.'
Als ze eindelijk liggen, loopt ze nog een keertje langs hun bedden. Stopt hier een deken in, trekt daar een laken recht en doopt haar vingers in het wijwaterbakje met het palmtakje dat aan een balk midden op de zolder hangt. Nat trekt ze kruisjes op de gladde huid van hun voor­hoofd: 'Welterus­ten, trus­ten... tot mor­gen...'

Morgen doet er niet meer toe. Zijn duim zalvend in het gouden doosje met Heilig Oliesel was de pastoor zijn kudde rondgegaan. Hij maakte kruisjes op haar voor­hoofd, haar lippen, haar han­den. Alles werd haar verge­ven; verkeer­de gedachten, drif­tige woor­den en ook de tikken die ze had uitge­deeld. Voor­zichtig voel­de ze aan de hand die krachte­loos naast haar in bed lag. Ze had zich dikwijls zeer ge­daan.
Nee, het is niet de pastoor die daar zit. De dokter dan? De oude dokter zou het kunnen zijn! Niet de jonge die leek er niet op. Die zal ook niet durven komen. Die is door haar oudste dochter de wacht aange­zegd.

'Een nul is het,' heeft Mieke gezegd: 'Een kwakzal­ver, die ver­dient aan de pillen die u van hem moet slikken. Wie geeft een oud mens als u nu zoveel medicijnen?'

Het is waar, ze heeft zich leeg ­geplast aan de tablet­ten die hij voor­schreef. Dag en nacht moest ze naar de wc. Haar nacht­rust schoot erbij in en op het laatst slingerende ze op haar benen. Met Pasen is het gebeurd: recht voor de ingang van de kapel is ze onderuitgegaan. Pas in het zieken­huis kwam ze weer bij haar positie­ven. Zes weken hebben ze haar daar gehou­den, haar lin­kerarm strak­getrok­ken in een stella­ge van gewich­ten en ijzerdraad. Het heeft niet gehol­pen, de elle­boog is niet geheeld. Hulpeloos keerde ze terug in het be­jaar­den­huis: een arm als een boom­wor­tel, haar elle­boog zo dik als een knie en vin­gers stijf opge­zwol­len van het vocht. Overal moet ze om vragen. Zelfs haar eigen direc­toire kan ze niet meer op- of neerhalen. Nee, de jonge dokter zal niet bij haar in de stoel gaan zit­ten.


naar vervolg

maandag 12 maart 2012

Brieven van mijn moeder


Jarenlang schrijft mijn moeder iedere veertien dagen een brief naar haar zoon, die op 17 jarige leeftijd naar Brazilië is vertrokken om daar zijn priesteropleiding af te maken. Zie 'Een Rijk Rooms Leven'    




Precies vijftig jaar na dato stuurt mijn broer die nog altijd en inmiddels gelukkig getrouw in Brazilië woont de brieven via de mail naar zijn broers en zussen zodat deze eindelijk kunnen vernemen wat hun moeder zoal te vertellen had.


Vandaag kreeg ik weer een brief met o.a. het volgende oude nieuws:


 Nu zal ik je nog wat nieuws vertellen. Wij hebben.............. TELEVISIE. Hoe vind je dat? Vader en de jongens betalen hem met elkaar. Het is voornamelijk de sport die de doorslag heeft gegeven. De jongens, en ook vader, zaten altijd bij anderen, wat ook geen pretje is. Nu kunnen ze thuis kijken. En wij genieten er ook dikwijls van, als er eens een mooi toneelstuk is of een goede film. En vooral het journaal is altijd mooi. Verleden week zondag was er een prachtige H. Mis op de televisie. Nu, joh, daar keek je je ogen op uit. Je had Ward zijn gezicht moeten zien toen hij verleden week thuis kwam. Ik had het hem niet geschreven, dus stond hij gewoon perplex.
 



zaterdag 3 maart 2012

De Liebster Blog award



En de winnaar is ...? ik heb er tot in de morgen naar zitten kijken. Een hele verrassing dus als je dan zelf een award krijgt uitgereikt en nog wel van Heldinne  Voor mijn ' ontroerende autobiografische notities' !
Dank lieve Heldinne  ik ben zeer vereerd en geef de award door aan vijf door mij bewonderde bloggers met minder dan 200 volgers . In willekeurige volgorde: 

Zwemmen of verzuipen  het wel en wee van iemand die longkanker overleeft en daar op de vierkante centimeter over kan schrijven zonder dat het verveeld.
T-Time   met haar prachtige sprookjesachtige verhalen. 
Mollie schrijft wat  autobiografische blogs in prachtig proza.
Rein Swart voor zijn Allerhande maar vooral literatuur. De man in dit rijtje met actuele en accurate verslagen! En laatst but not least:
Jip's Snuffelhoek met zijn columns die hij bij elkaar snuffelt in Voordorp, een wijk in Utrecht. 
Helaas ik mag er maar vijf weggeven en heb vooral voor het schrijven gekozen!
Veel plezier er mee. En  zoals jullie kunnen zien het logo is geplaatst!