zaterdag 3 maart 2012

De Liebster Blog award



En de winnaar is ...? ik heb er tot in de morgen naar zitten kijken. Een hele verrassing dus als je dan zelf een award krijgt uitgereikt en nog wel van Heldinne  Voor mijn ' ontroerende autobiografische notities' !
Dank lieve Heldinne  ik ben zeer vereerd en geef de award door aan vijf door mij bewonderde bloggers met minder dan 200 volgers . In willekeurige volgorde: 

Zwemmen of verzuipen  het wel en wee van iemand die longkanker overleeft en daar op de vierkante centimeter over kan schrijven zonder dat het verveeld.
T-Time   met haar prachtige sprookjesachtige verhalen. 
Mollie schrijft wat  autobiografische blogs in prachtig proza.
Rein Swart voor zijn Allerhande maar vooral literatuur. De man in dit rijtje met actuele en accurate verslagen! En laatst but not least:
Jip's Snuffelhoek met zijn columns die hij bij elkaar snuffelt in Voordorp, een wijk in Utrecht. 
Helaas ik mag er maar vijf weggeven en heb vooral voor het schrijven gekozen!
Veel plezier er mee. En  zoals jullie kunnen zien het logo is geplaatst!

maandag 27 februari 2012

Op dat ik mag vergeten

Balletdanseres in het rood 2012                                                                                              olieverf op linnen 40x30 cm

Nog éénmaal de droom uit mijn kinderjaren doorgewerkt en met olieverf op het doek vastgelegd. 
Een laatste buiging voor het doek definitief valt.

vrijdag 3 februari 2012

De boer die sterft


© sagita


Toen wilde hij-zelf iets zeggen. Wat zou hij zeggen, dat...? Hij wachtte nóg een beetje. Maar toen begon hij  olijk te glimlachen. Hij wist nu wat hij zeggen moest. Hij wist; o, hij wist...
En hij deed zijn mond open, zijn zwarte mond. Maar hij zei niets.
Want hij was dood.


Zo eindigt het verhaal van Karel van de Woestijne (1878 – 1929) over Nand een oud boerke dat allenig ligt te sterven op de vout-kamer in de zure lucht. En terwijl hij daar ligt en moppert over dat hij nooit zijn wél heeft gehad verschijnen er aan zijn bed vijf , hem bekende, vrouwen.  Ieder van hen symboliseert een zintuig en voeren hem door gebeurtenissen in zijn leven. Zo nemen zijn ogen hem weer mee naar het land. Laten hem zien hoe dat  erbij lag als hij op zondag uit de kerk kwam en niet hoefde te werken. Zijn oren  de geluiden op een boerderij. Het wachten op het kraaien van de haan. Een koe die trappelt in het stro. Het tikken van de breipennen van zijn dochter en het geklots van water in de wasteil van zijn vrouw. Vuile Zulma van aan de boskant is zijn neus. Bedwelmt hem weer in de geur van het zoete zweet van Wanne, zijn latere vrouw. Boldina van de pastor symboliseert zijn smaak en tot slot verschijnt de tastzin – het voelen – in de vorm van zijn moeder. Ze stopt hem in laat hem weer warmte voelen, de hitte van koortsige kinderen, de kilte  der dingen en hoe het voelde toen hij met zijn duim en wijsvinger de ogen van zijn overleden vrouw sloot. En dan helemaal op het einde komt toch ook Wanne zijn vrouw die zich klaarmaakt om bij hem in bed te gaan liggen, maar dan blijkt het niet Wanne maar Nands ontwakende ziel te zijn.

Een van de mooiste verhalen uit de Nederlandstalige literatuur. Knap geschreven ook. Ik las  'De boer die sterft' van Karel van de Woestijne ergens in de jaren zeventig tijdens mijn middelbare schoolopleiding en vond het verhaal  jaren later terug  in het boek 'De bestendige aanwezigheid' tijdens een speurtocht langs tweedehands boekwinkeltjes.

Een paar dagen geleden is er weer een oude boer gestorven. Een oude buurman uit mijn kinderjaren en later nadat hij met vrouw en kinderen naar Noord-Limburg was vertrokken, een verre vriend. 92 jaar is hij geworden. Een blijmoedig mens. Altijd voor dag en dauw de deur uit. Koeien melken  met op zijn nuchtere maag een losgeklopt ei met een flinke scheut brandewijn. Uiteindelijk heeft hij toch nog longkanker gekregen, maar hij klaagde niet. Alleen dankbaar dat hij bijna geen pijn hoefde te lijden. Vermoeid dat wel. Zijn krachten gesloopt en te midden van vrouw en kinderen gaf hij tenslotte de geest.

Zijn dood herinnerde mij aan het verhaal van, van de Woestijne. Ik heb het uit mijn  boekenkast opgediept en opnieuw gelezen. Mij weer verwonderd over de schoonheid zowel van het verhaal als van een boeren leven. 


© sagita
  

zaterdag 14 januari 2012

Droom uit mijn kinderjaren





Droom uit mijn kinderjaren                                                                      aquarel                                                                                                                       

 Ik weet nu wat ik wil: bij het Nationaal Ballet.Een prima donna worden net als Anna Pavlova en kunnen mijn ouders de opleiding niet betalen, dan kan ik nog als slangenmeisje bij het variété en alle kermissen afreizen. Iedere dag oefen ik de spagaat. Zak afwisselend met mijn rechterbeen voor, mijn linkerbeen achter en omgekeerd tot in de uiterste spreidstand waar mijn kruis de grond aanraakt. Dan veer ik een paar keer op en neer, rek de spieren van mijn dijbenen op en laat ik me tot slot stervend als een zwaan met mijn handen boven mijn hoofd plat naar voren vallen.
    ‘Pas maar op dat je niet uitscheurt,’ zegt mijn vader als hij me zo bezig ziet. Ik studeer de danspasjes in die ik van de slangenmeisjes op de kermis heb afgekeken. Oefen de evenwichtskunst op de lat waarover moeder de kleden hangt en loop met wijd gespreide armen over de rand van de half verrotte schutting die de grens vormt tussen onze werf en die van de buren. Na de vakantie, onderweg naar school,leg ik hele afstanden af in radslag en toon trots aan Hannie en Trees hoe ik in een vloeiende beweging van handstandoverslag op mijn voeten en weer rechtop kan komen.  




Steeds als mijn leven in een nieuwe fase raakt, een tijd waarvoor ik nog geen woorden kan vinden, keer ik terug naar potlood, papier, naar verf.






dinsdag 3 januari 2012

Strandwandeling

 



Het was 2005. Het was herfst en ik wilde graag even weg. Er alleen op uittrekken. Niet afhankelijk zijn van de beschikbaarheid van een vriend, vriendin of een goede kennis. Mijn eigen gezelschap was goed genoeg. Ik koos voor het Zeehuis in Bergen aan Zee. In mijn bagage wat kwasten. Wat tubes verf.  De zee vangen in een aquarel wilde ik al zo lang. 

Ik maakte lange wandelingen langs de kust. Liep van Egmond aan Zee weer terug naar het Zeehuis. Overspoeld door herinneringen fotografeerde ik plaatsen waar ik met mijn kinderen was gegaan. Sjokkend langs de vloedlijn. Trekkend aan de wandelwagen. Zonnebrandcreme smeren op met snot en zand bedekte gezichtjes. Voetjes schoonvegen. Schoentjes leegkloppen en dan een ijsje of patatjes eten met een glunderend oog.

Het was in de tijd dat ik kamperen met twee kleine kinderen te ingewikkeld vond. Een aantal jaren bracht ik met hen hier de zomervakantie door. Koos voor het gemak van een kamer met bedden en een goed uitgeruste keuken waar ik zelf de maaltijden kon bereiden. Trok de duinen in. Schilderde het Zeehuis terwijl  de jongste aan mijn voeten in slaap viel en ik heel snel een schets van hem maakte. 

Bijschrift toevoegen
In het Zeehuis en aan het strand van Bergen aan Zee ben ik nooit alleen.

vrijdag 30 december 2011

2012

   







     Ook in de herfst is het leven de moeite waard!

     mijn beste wensen
     Sagita 
    

 

vrijdag 23 december 2011

Stille nacht.Heilige nacht.


                                                                                                                                                                 © Sagita

De verse sneeuw knerpt zacht onder onze voeten. Af en toe stapt uit de schaduw van een boerderij een zwart silhouet dat zich geruisloos bij ons voegt. Met zijn warme knuistje in de holte van mijn hand loop ik met mijn zoontje op de provinciale weg die naar de dorpskern voert. Steeds even, bij het passeren van een lantaarnpaal, zie ik in het licht zijn slaperig bleek gezicht en het ijle ademwolkje dat in flarden langs zijn haren strijkt.
'Is 't nog ver Mamma?'

'Nog een kwartiertje, eerst komen we bij een bocht en dan wat verder bij een brug. Als we daar over zijn en er meer huizen staan, dan zijn we er bijna.'

Ik heb de stad, waar ik nu al weer vele jaren woon, voor een paar dagen achter me gelaten en ben teruggekeerd naar mijn geboortedorp. Hier staat de kerk waar ik als kind leerde geloven. Langs deze weg ben ik zo vaak gegaan. Samen met mijn ouders, mijn broertjes en mijn zusje. Zeven jaar, even oud als mijn zoontje nu, mocht ik voor het eerst mee naar de nachtmis.

Drie uur in de morgen stommelt moeder de trap op en gaat van bed naar bed: 'Wakker worden, hier zijn je kleren,' haalt ze ons midden uit onze slaap. Mijn ogen nog half dicht, kleed ik me aan. Het hele huis ruikt naar het krentenbrood, dat vader zelf heeft gebakken. Beneden in de kamer wacht de tafel, gedekt met moeders mooiste servies en allerlei lekkers; witte puntjes, boterschaapjes, gestampte muisjes en zelfs een schaaltje jam, op onze terugkomst. Mijn ouders hebben, terwijl wij sliepen, het hele huis versierd. Boven de deuren geuren verse takken hulst met rode besjes. De kerststal is van zolder gehaald en uitgestald op het dressoir. Maria en Jozef liggen geknield achter een lege kribbe te wachten op hun kind en van verre, helemaal op de hoek van het dressoir, staan de drie koningen met in hun handen de geschenken; wierook, mirre en goud. Ik pak van mijn bord de zakdoek met daarop vijf centen en stop ze in mijn jaszak. Eenmaal buiten, op weg naar de kerk, zoek ik de heldere hemel af: Waar is de ster die mij de weg zal wijzen? En ik spits mijn oren: Hoor ik niet heel in de verte engelen zingen? Of zijn het de klanken van hun hemelse cymbalen? 

In de kerk aangekomen zie ik als eerst, vlak voor het altaar, de grote adventskrans hangen met vier aangestoken kaarsen. 'Er is een roos ontsprongen, in 't midden van de nacht,' speelt de organist als ik aan de hand van moeder over het rood betegelde middenpad naar voren loop. Even later sta ik met haar voor het Sint Jozef altaar. Hoeveel generaties dorpsgenoten voor mij, hebben hier de oude kerststal bewonderd? Ik kijk mijn ogen uit naar de jonge herder met zijn fluit. Op zijn schouders draagt hij een mollig lammetje. De stokoude herder met zijn staf. De schapen, een hond, os, ezel. Mijn mond valt open bij het zien van de engel, helemaal vooraan. De engel knielt op één knie in zijn hemelsblauw kleed dat in plooien om hem heen valt. Uit de zachte ronding van zijn schouderbladen ontspruiten twee dichtgevouwen vleugels die reiken tot aan de grond. In zijn handen draagt hij een offerblok met een gleuf. Daarin mogen wij, om beurten, een muntje werpen. Nadat mijn cent gevallen is kijk ik in spanning naar het hoofd van de engel. Naar het serene gelaat, omlijst met blonde krullen, met in het midden de volle mond. Zou hij het ook voor mij doen? Gelukkig! Sierlijk buigt de engel zijn hoofd naar beneden en fluistert de in goud gedrukte woorden: 'Deo Gratias.'

Twintig jaar later, het is weer kerstnacht, loop ik samen met mijn vriend in het donker op de provinciale weg die naar de kerk voert. Ik huiver, ben nauwelijks de schok te boven. Op deze weg, vlak voor de bocht, is mijn broer Jaap bij een auto-ongeval betrokken geraakt. Zijn laatste adem sloeg in fijne druppeltjes neer op het glas van een bril, die een hulpvaardige voorbijganger voor zijn mond heeft gehouden.
Ik kijk weer om me heen. Er ligt geen sneeuw, maar de nacht is helder. Ik zoek niet naar de ster, die mij de weg kan wijzen. Luister niet of ik muziek kan horen van cymbalen. Het is meer uit gewoonte dat ik mijn blik laat dwalen langs de hemel boven mij als ik , plotseling hoog in de lucht, een engel zie overvliegen. Hij wiekt met grote slagen door de ruimte. Zijn wit gewaad hangt naar beneden af en laat zijn blote voeten vrij. Hij draait zijn hoofd in mijn richting, wuift en lacht naar mij. Dan herken ik hem. Jaap vliegt daar hoog tegen het donker van de hemel en tussen de sterren boven mijn hoofd met een brede grijns.
'Maak je over mij geen zorgen,' antwoordde hij steevast, als mijn ouders zijn toekomst ter sprake brachten.

'Kijk, daar komen de huizen al!' Zeg ik tegen mijn zoontje. We zijn voorbij de bocht en over de brug. De kerkklokken luiden feestelijk als ik even later met hem de kerk inloop. Ik neem hem aan mijn hand, loop over het middenpad naar voren en zie in de adventskrans alle vier de kaarsen branden. De zachte klanken van het orgel klimmen langs de muren omhoog. Aan het einde sla ik rechtsaf naar het Sint Jozef altaar. Strak gespannen kijk ik naar mijn kind als we de kerststal naderen. Naar zijn sereen gezicht. In zijn hand houdt hij een muntje.