zaterdag 9 februari 2013

Belichtingstijd: Fotoalbum:



tribune harddraverij 1984


Nu, juist nu er bij mij kanker is geconstateerd, kan ik niet meer wachten. Ik moet de verzameling foto’s, die ik boven op de boekenkast in dozen bewaar, eindelijk in albums plakken. Mijn kinderen, Aram en David, mogen straks bij het leegruimen van mijn huis, niet hun hoofd breken over de identiteit van een afgebeeld persoon, meestal een kind, of raden naar de plek waar een foto is genomen en zich afvragen wanneer dat is geweest? Alleen ik kan voor hen de geschiedenis rangschikken. Zoals ik ook hun kinderjaren structureerde met slapen, spelen, een schone broek en een hapje eten precies op tijd. Mijn kinderen: mijn achilleshiel. 



David één jaar
In een flits heb ik hun rappe bewegingen stilgelegd. Kijk de foto’s van David, mijn jongste zoon, zijn de laatste die ik heb ingeplakt. Ik maakte ze op zijn eerste verjaardag. In zijn Dikkie Dik trui, die ik voor de gelegenheid heb gebreid, staat hij naast zijn buggy en zit hij in het rieten kinderstoeltje met pop Leentje. Op het balkon van onze flat, in het roze licht van de avondzon, heb ik hem geportretteerd. Soms trekt een lachje om zijn vochtige mond. Vaker kijkt hij, vanonder zijn gestileerde wenkbrauwen, ernstig naar mij en is geboeid door het fototoestel. Een briesje blaast plukjes van zijn blonde zijden haartjes recht de lucht in. 


Suikerspinnen

Drie volle fotoboeken heb ik van Aram, mijn oudste zoon. Als hij tweeëneenhalf is houdt het op. De laatste foto’s die ik van hem inplakte zijn genomen op de paardendagen in mijn geboortedorp: Aram met zonnepet op de tribune tussen neefjes en nichtjes bij de renbaan. Aram met suikerspin in de wandelwagen tussen de kermisattracties. Aram in een vliegtuigje. Aram huilend van vermoeidheid aan het einde van de dag in de nog krachtige armen van oma.



Aram in vliegtuigje
Opvallend vaak staan Aram en David alleen of samen op een foto afgebeeld. De argeloze kijker kan gemakkelijk de indruk krijgen dat het om twee verweesde kinderen gaat. Slechts af en toe, als we bij oma logeren, zitten ze bij haar op schoot of hebben ze de arm van een tante of oom om zich heengeslagen. 





Helemaal voor in Aram’s eerste boek heb ik wat foto’s van mezelf geplakt. Ik sta buiten op het balkon van mijn appartement. Op de achtergrond vaag het massief van de flat, die torenhoog en loodrecht naast onze flat is neergezet. Utrecht Overvecht. Veertigduizend mensen op en door elkaar gestapeld. Het is augustus 1981. Een paar jaar eerder ben ik er komen wonen. Ik kan me nog herinneren, dat ik bij het eerste gezicht aan de konijnenhokken van vader moest denken. Iedere woning zijn eigen ruif, maar voornamelijk was ik blij. Zeurende hospita’s of ineens je kamer uitgezet worden, behoorden tot het verleden. Eindelijk had ik een voordeur met een eigen drempel en al was het een huis met slechts één kamer, een keuken en douche met toilet, het was wel voor mij alleen. Binnen een maand stond op het balkon een door mezelf getimmerde plantenbak zo groot dat ik er languit in kon liggen.

‘Je moet een laag van minstens twintig centimeter aarde nemen, willen de planten goed wortel kunnen schieten,’ heeft vader me geleerd. Nog diezelfde zomer groeide er een variatie aan wilde bloemen op mijn balkon en nergens zag ik zonnebloemen warmer kleuren als tegen de grijze achtergrond van betonnen flatgebouwen.

zomer 1981
Vriendelijk zonlicht valt op mijn gestalte en handen, die uitgebloeide bloemen en dorre blaadjes in de planten zoeken. Mijn vriendin Julia heeft de foto’s van opzij genomen. Zwart-wit met een romantisch effect. Een dun laagje vaseline in de periferie van de lens vervaagt de scherpte naar de randen. In het centrum steekt mijn zwangere buik in een punt naar voren. Zelfs mijn uitpuilende navel is, dwars door het strakke tricothemd te zien. Beige was de kleur van het hemd, weet ik nog. Het is vast net als de meeste T-shirts als kwastendoek in mijn verfkist geëindigd.

Julia wilde perse de foto’s maken. Ze had er op gestaan. Met welk fototoestel, vraag ik me nu af? Was het haar camera of de oude spiegelreflexcamera, die na Aram’s geboorte al snel in de kast bleef liggen? Te groot, te zwaar om te vervoeren. Samen met een kind in een draagzak op mijn buik, mijn rugzak volgepropt met verschoningen. Daar kwam bij dat Aram, vijf maanden oud - nog voor ik het juiste diafragma of de scherpte in kon stellen - al uit het beeld verdwenen was. Van die tijd af maakte ik geen foto’s meer, maar schoot ik plaatjes met mijn kleine half automatische canon. Er zijn geen foto’s van Julia samen met mijn kinderen.

vrijdag 1 februari 2013

De stormvloed in 1953









Uit: Kala Kala

1953 is een rampjaar. In januari gaat moeder ‘s avonds vaak weg. Ze waakt bij opa. ‘s Morgens keert ze vermoeid weer terug: ‘nee, het is nog niet gebeurd.’ Op fluisterende toon praat ze met vader, met de buurvrouw en met de hulp. Kanker vreet aan opa’s maag. De man die als kleine jongen onderwijzer wilde worden, maar zijn hele leven als boerenknecht de kost voor vrouw en kinderen verdient, weet van geen wijken. Pas als zijn gezicht bijna in zijn grote ogen is verdronken, geeft hij het op.
Opa zal niemand meer verbazen met politieke debatten en met oudjaar zal hij niet om vijf minuten voor middernacht uit zijn stoel opstaan en zeggen: ‘kom, ik ga naar bed.’

Opa zal nooit meer slapen of wakker worden. Ook niet van de vreselijke storm begin februari. Ik word wel wakker. De wind huilt en jankt rond ons oude huis. Woedend rukt hij aan de kap van het dak boven mijn hoofd. De houten balken kreunen. Dakpannen rollen met kletterend geraas naar beneden de poort in. Plotseling staat mijn moeder in de deuropening. In de herrie heb ik haar niet naar boven horen komen. ‘Het is zwaar weer,’ zegt ze. ‘Doe wat warms aan en kom mee naar beneden.’
In de huiskamer is het kil. De kolen in de kachel zijn zo goed als opgebrand. Ik bibber in de dikke winterjas die ik over mijn nachtpon heb aangetrokken. Mijn broers en zus staren met witte gezichten slaperig voor zich uit. De jongste kinderen zijn in bed gelaten. Mijn oudste broer helpt net als vader buiten in de storm. Ze sjouwen met zandzakken om de dijken rond het dorp te versterken tegen het opzwiepende water.


Moeder wijdt het huis. Met een palmtakje en wijwater slaat ze kruisjes in de hoeken van ieder vertrek. Dan knielt ze neer op de harde kokosmat. Samen bidden we een rozenkrans van weesgegroetjes en roepen alle heiligen uit de hemel om ons te beschermen. Het begint al een beetje licht te worden als de storm eindelijk gaat liggen. 


De volgende dag horen we over de radio, dat de zee bij Scheveningen een groot gat in de duinen heeft geslagen. De polder waarin we wonen ligt vier meter beneden de zeespiegel. Op het nippertje zijn we aan de stormvloed ontsnapt. Weer later komen de kranten en weekbladen met beelden uit Zeeland:

                                             


ondergelopen huizen, verdronken koeien en paarden, kinderen met natte haartjes, die van droge kleren worden voorzien en mensen die met lege blikken voor zich uit zitten te staren.

woensdag 23 januari 2013

Het bruidsboeket



Op 23 januari 1935, vandaag precies  78 jaar geleden beloofden mijn ouders voor Kerk en Staat  elkaar  trouw tot de dood hen zou scheiden. Op hun trouwfoto staat mijn moeder afgebeeld met een prachtig boeket seringen. Het is hartje winter en wij haar kinderen vroegen ons af hoe ze aan die bloemen zijn gekomen?

Mijn vader en moeder hadden op het moment van trouwen niet veel geld. Het was crisis en vader had een periode van werkeloosheid achter de rug. Nadat alle kosten voor de bruiloft betaald waren hadden ze precies nog één gulden over. Daarmee stapten ze naar een bloemist in Oegstgeest.  
De bloemist hoorde hun verhaal aan en zei: 'geef mij die gulden. Ik zorg voor een mooi boeket.'
De man hield woord en mijn vader verraste mijn moeder op haar trouwdag met deze mooie witte waterval.
Dit verklaart nog niet hoe de bloemist in januari aan deze witte seringen kwam. Een beetje googlen leverde het volgende resultaat: Een onbekende fotograaf maakte deze foto. 


1935 Man snoeit seringen in kas te Aalsmeer.

Het kan natuurlijk toeval zijn, maar misschien is deze man het bruidsboeket van mijn vader en moeder aan het samenstellen. Zeker is dat er in 1935 bloementeelt in kassen plaats vond waaronder de teelt van seringen. 


 Mijn ouders hebben de liefde voor seringen altijd behouden. Waar ze ook woonden er stond altijd wel ergens een seringen boom. In de van Santhorststraat stonden een paarse en witte seringenboom waaronder ze koffie dronken en lunchten. 




Een liefde die ik van hen heb overgenomen. In 1992  verhuisde ik met mijn kinderen naar Voordorp een woonwijk in Utrecht. Het wachten op het huis met de tuin had te lang geduurd en een vierkamer appartement op de eerste verdieping was een hele verbetering vergeleken met het kleine flatje 7-hoog in Overvecht. Zeker toen ik bij de eerste kennismaking het beschutte terras zag dat zich voor mijn deur uitstrekte. Binnen de kortste tijd was ik in de weer met planten, potten en het vergaren van stekken.

Een lieve kennis timmerde een heel grote plantenbak. In dit pronkstuk plantte ik een stek van één van deze seringenbomen.Het boompje groeide gestaag en verraste mij ieder voorjaar met zachtgroene blaadjes, maar seringen zag ik niet. Van verschillende mensen hoorde ik dat een stek vaak geen bloemen gaf. Jammer vond ik dat wel, want wat moest ik met een seringenboompje dat geen bloemen gaf. Ik twijfelde vaak of ik hem zou vervangen door een boompje dat wel bloeide, maar de gedachte dat deze verwant was aan de bomen van vader en moeder, bomen die inmiddels uit onze ouderlijke tuin verdwenen zijn, weerhield mij steeds.

Inmiddels telde ik het jaar 2003 toen ik op een goede morgen in het voorjaar mijn deur uitstapte  en zoals gewoonlijk naar mijn pottentuin keek. De blaadjes van mijn seringenboompje liepen al lekker uit. Maar toch er was wat vreemds aan de hand, het leek wel alsof ze zich aan het opkrullen waren. Ik schrok bang dat hij het slachtoffer was geworden van een horde rupsen. Dichterbij gekomen zag ik aan de uiteinden van takjes overal kleine knobbeltjes. Het duurde nog even voor ik begreep dat mijn seringenboompje knoppen aan het vormen was. Ik verschoot bijna van vreugde en schrik, was blij met het wonder, maar ook bang dat een nachtvorst het zou verstoren. Dit gebeurde niet, vroeg in die zomer gaf mijn sering voor de eerste maal mooie witte bloemen.




Afgelopen jaar 1 mei 2012 heb ik op mijn volkstuin een witte sering geplant voor mijn kleinzoon die afgelopen herfst geboren is.


maandag 14 januari 2013

2013



......en een heel goed schrijfjaar! 
       groet Sagita 

vrijdag 9 november 2012

In verwondering




31 jaar geleden:

vier dagen oud



Anderhalf jaar later:





en nu de vader van mijn kleinzoon.




maandag 22 oktober 2012

Mijn vroegste herinnering


Oktober 1944
Bovenop de dijk, aan de overzijde van het water, staat een donkere koets met twee zwarte paarden. Op hun hoofd dragen ze een pluim. Achter de koets, voor de wijd geopende deuren zie ik mijn vader staan. Zijn handen tillen een kleine kist. 

Het is mijn allervroegste herinnering; een stilstaand beeld. Alsof ik kijk naar een zwart-wit foto die in mijn geheugen is afgedrukt. In mijn gedachten zoek ik naar de plek waar ik heb gestaan. Ik loop over een smalle draaibrug, daal het pad af tot onder aan de dijk en kom uit bij ons ouderlijk huis. De deur aan de achterkant is open. In de woonkamer, voor het raam, sta ik op het puntje van mijn tenen en klem me vast aan de houten vensterbank. Hoe groot is een kind van amper drie jaar oud. Het is een grijze dag, eind oktober. In het kistje ligt mijn zusje Tonia.

‘Het wordt een bevrijdingskindje,’ heeft de dokter bij iedere controle gezegd. De bevrijding laat op zich wachten. Het westen van Nederland, mijn vader, moeder en hun zes kinderen moeten de hongerwinter nog door. De datum waarop mijn moeder is uitgerekend is al lang verstreken als mijn zusje eindelijk wordt geboren. Haar brede schou­ders en gewicht van twaalf pond laten zich moeizaam uit het geboor­teka­naal verlos­sen. De dokter zweet bij het spaarzame licht van een knijpkat in de verduisterde kamer. Tevergeefs. Aan het einde van de bevalling huilt alleen mijn moeder.

Het is mijn eerste ontmoeting met de dood. Onze paden zullen zich vaker kruisen. Soms zoek ik hem, lijkt het wel. Ik trek een ketel kokend water over me heen, val in het water onder de brug waar ik nog net op tijd word uitgevist en loop onverwacht de weg over pats boem onder een motorfiets. Soms komt hij bij ons thuis en kijk ik toe.


Uit: Kala Kala


Tonia zou vandaag 68 jaar geworden zijn als het lot haar gunstiger geweest was. Soms vraag ik me af wat het voor mijn ontwikkeling betekend zou hebben als Tonia was blijven leven? Als ik niet tussen allemaal jongens was opgegroeid, maar een drie jaar jonger zusje aan mijn zijde had gehad? 
Meer meidenkracht in het voetbalelftal, zodat mijn broertjes niet zomaar wegkwamen met: 'Zij is een meisje, zij doet voor spek-en-bonen mee.' 
Mijn doelpunten gewoon geteld waren en ik niet afgerekend was op mijn geslacht, maar loon naar werk had gekregen? 

Als? 

'As is verbrandde turf,' haalde een vriendin onlangs nog een uitspraak van haar moeder aan. Dus gedenk ik Tonia op haar geboortedag en neem ik mijn leven voor lief.  


donderdag 11 oktober 2012

In de knop verwelkt, onze bloem.

                   
                           


Emma zou je heten.
Honderd keren

klonk al in ons huis jouw naam,
ook gedrukt op mooi papier,
om rond te sturen.

Maar nooit zal het zo zijn
Dat bij het roepen van die naam,
Jij opkijkt,
en de haren voor je ogen weg zult strijken.

Wat had er wel niet uit je kunnen groeien,
Lieve kleine meid, geboren al gestorven.
We missen je zo



Geschreven door mijn broer Arie,
bij de dood van zijn kleindochter